Samenvatting
Een (dreigend) agressieve of gewelddadige patiënt managen is een complexe uitdaging. Diverse factoren spelen een rol: vroege herkenning van een potentieel agressieve patiënt, diagnose en behandeling, interventietechnieken, veiligheid voor patiënt en omgeving, en medicolegale aspecten. Een goede training van het personeel in de omgang met agressieve patiënten is essentieel.
2.1 Agressief gedrag
Een (dreigend) agressieve of gewelddadige patiënt managen is een complexe uitdaging. Diverse factoren spelen een rol: vroege herkenning van een potentieel agressieve patiënt, diagnose en behandeling, interventietechnieken, veiligheid voor patiënt en omgeving, en medicolegale aspecten. Een goede training van het personeel in de omgang met agressieve patiënten is essentieel.
Presentatie
Risicofactoren en voorspellende factoren
Gewelddadig gedrag in VG (beste predictor).
Jonge man.
Middelenmisbruik.
Gedragingen patiënt: verandering in houding (opstaan, op rand van stoel gaan zitten, leuning vastknijpen), luide of grove spraak, motorische onrust, spanning, boze/geïrriteerde stemming, niet coöperatief.
Angstig of onveilig gevoel bij hulpverlener.
Aanwezigheid van een wapen.
Differentiaaldiagnose
Zie vreemd gedrag.
SEH-behandeling
Voorkom dat patiënt zichzelf of anderen beschadigt. Eventuele onderliggende medische aandoeningen moeten behandeld worden. Algemeen: de interventie moet effectief zijn in het verkrijgen van controle, én het minst ingrijpend voor de patiënt. Plaats patiënt in een rustige en veilige omgeving en zorg voor continue observatie.
Interventietechnieken
Voor juridische aspecten van inperking van bewegingsvrijheid en toedienen van sedatie tegen de wens van de patiënt, zie WGBO.
Verbale interventie (de-escalatietechniek): empathische verbale interventie is de meest efficiënte manier om een geagiteerde of agressieve patiënt te kalmeren. Benader de patiënt beleefd en respectvol, veroordeel niet en geef duidelijk de grens aan tot waar het gedrag acceptabel is.
Inperking van de bewegingsvrijheid (fixatie): overweeg fixatie als verbale technieken onvoldoende zijn en er gevaar voor de patiënt of zijn omgeving dreigt. Idealiter wordt er gewerkt met een team van minimaal vier personen en volgens een fixatieprotocol. Continue observatie en monitoring van de gefixeerde patiënt is obligaat.
Sedatie (tabel 2.1): benzodiazepines zijn eerste keus; bij psychotische patiënt z.n. een antipsychoticum toevoegen (let op mogelijke bijwerkingen, bijv. dystone reactie). Orale medicatie heeft de voorkeur; indien de patiënt niet coöperatief is kan voor parenterale toediening gekozen worden. Mocht een intraveneuze toegangsweg beschikbaar zijn, dan is IV te verkiezen boven IM toediening.
Tabel 2.1.
Medicatie voor sedatie
| Medicament | Initiële dosis volwassene * | Toedieningsweg | T1/2 | Tmax |
|---|---|---|---|---|
| benzodiazepines | ||||
| oxazepam (Seresta ®) | 10-50 mg | PO | 4-15 uur | 2-3 uur |
| clorazepinezuur (Tranxene ®) | 50 mg | IM | 2-3 uur | |
| lorazepam (Temesta ®) | 1-4 mg | PO/IV/IM | 12-16 uur | 2 uur PO1-1,5 uur IM |
| midazolam Dormicum ®) | 2,5-10 mg | PO/IV/IM | 1,5-2,5 uur | 0,5-1,5 uur PO20 min IM2,5 min IV |
| diazepam (Valium ®) | 5-10 mg0,1-0,2 mg/kg | POIV/IM | 20-48 uur | 0,5-1,5 uur |
| antipsychotica | ||||
| haloperidol (Haldol ®) | 2-5 mg | PO/IM | 12-40 uur | 10-20 min IM 2-6 uur PO |
| droperidol | 2,5-5 mg | IV/IM | 2 uur | 3-10 min |
* Bij ouderen initiële dosis halveren.
Opname/ontslag
Bij agressief gedrag dat verband houdt met een somatische aandoening, moet de aandoening behandeld worden. Hierbij mag aan verzet van de patiënt voorbij worden gegaan als de patiënt (tijdelijk) wilsonbekwaam is, en het niet-behandelen tot een kennelijk ernstig nadeel voor de patiënt leidt. De patiënt mag ook kortdurend worden vastgehouden/gefixeerd (zie WGBO).
Bij agressief gedrag dat verband houdt met een geestesstoornis en dat gevaar voor patiënt of diens omgeving oplevert, overweeg IBS (zie BOPZ) en gedwongen psychiatrische opname. Ook hierbij kan de politie worden ingeschakeld.
Bij agressief gedrag dat geen verband houdt met een somatische stoornis of geestesstoornis en leidt tot een gevaar voor de patiënt of zijn omgeving kan de politie ingeschakeld worden.
2.2 Bewustzijnsdaling kind
Presentatie
Bewustzijnsverandering kan variëren van milde symptomen als prikkelbaarheid en toegenomen slaap tot bewusteloze toestand (GSC < 9). Let specifiek op: hypo/hyperglykemie, altijd z.s.m. bedsideglucosemeting verrichten.
Anamnese
Recent trauma, mogelijkheid intoxicatie, bekende neurologische afwijkingen, bekende epilepsie, bekende andere chronische aandoeningen (DM, nier of hartziekte), recente reizen buitenland en stofwisselingsziekten in de familie.
Algemeen lichamelijk onderzoek
Vitale functies, huidafwijkingen (petechiën, aanwijzingen trauma), schedel (trauma capitis?), KNO-gebied (aanwijzingen schedelbasis fractuur? Otitis media/mastoïditis als bron meningitis?), Nekstijfheid (meningitis, CVA), geur (intoxicaties, metabole aandoeningen), vergrote lever (hartafwijkingen, metabool).
Neurologisch onderzoek
Nekstijfheid? Gespannen fontanel?
-
Oogonderzoek:
- pupillen en reactiviteit (tabel 2.2);
- fundusafwijkingen;
- oftalmoplegie.
Kinder Glasgow Coma Score.
Lateralisatie bij (spontane) motoriek en reflexen?
Tekenen van verhoogde intracerebrale druk (ICP) (tabel 2.3)?
Tabel 2.2.
Mogelijke oorzaken bij pupilafwijkingen kinderen
| Pupilgrootte en reactiviteit | Mogelijke oorzaak |
|---|---|
| klein, reactief | metabool, medullaire laesie |
| pin point | metabool, opiaat/organofosfaatintoxicatie |
| middelgroot, lichtstijf | laesie middenhersenen |
| wijd lichtstijf | hypothermie, ernstige hypoxie, barbituraten, postictaal, anticholinergica |
| unilateraal, verwijd | inklemming (tentorium), trigeminus laesie, insult, snelgroeiende laesie (ipsilateraal) |
Tabel 2.3.
Tekenen van verhoogde ICP kind bij EMV < 9, bij niet postictaal en tevoren gezond kind
| Teken | Uitleg |
|---|---|
| abnormale oculocefale reflexen | onwillekeurige of geen oogbeweging bij hoofd van links naar rechts bewegen (poppenkopfenomeen ). normaal: oog beweegt van hoofdbeweging af |
| abnormale houding (spontaan of opgewekt door pijnprikkel) |
• decorticatie: gebogen armen, gestrekte benen • decerebratie: gestrekte armen en benen |
| abnormale pupilreflexen | uni- of bilateraal (tabel 2.2) |
| abnormaal ademhalingspatroon | wisselend van hyperventilatie tot Cheynes-Stokes of apnoe |
| trias van Cushing | hypertensie, bradycardie en abnormaal ademhalingspatroon (laat teken) |
Differentiaaldiagnose
Hypoxie: ischemisch hersenletsel na respiratoir falen of shock (ernstige astma, dehydratie).
Convulsies:epilepsie, status epilepticus, koortsstuip, postictaal.
Metabool: hypoglykemie, diabetes, hypothermie, hypercapnie, nierfalen, leverfalen.
Infectie: meningitis, encefalitis (inclusief malaria), koortsstuip.
Trauma: intracraniële bloeding (subduraal, epiduraal, parenchymaal), hersenoedeem. Cave kindermishandeling.
Vasculair: subarachnoïdale bloeding, arterioveneuze malformatie, trombose.
Intoxicatie: accidenteel (kleine kinderen) of als tentamen suïcide.
Hypertensie:hypertensieve encefalopathie, oorzaak meestal nierziekte.
Zie ook tabel 2.4.
Tabel 2.4.
Enkele klinische redenaties n.a.v. bevindingen
| Bevindingen | DD |
|---|---|
| anamnese intoxicatie opiaten, pin point | opiaatintoxicatie |
| coma in enkele uren ontstaan + prikkelbaarheid, koorts, petechiën | meningitis, sepsis met hypoxisch coma (shock) |
| coma < 1 uur bij eerder gezond kind | intoxicatie |
| hyperglykemie | DM |
| vaag, inconsequent verhaal, hematomen (retinale bloedingen) | KiMi met intracerebrale bloeding |
| zeer acuut ontstaan, voorafgaande hoofdpijn | CVA |
| coma + RR↑ | hypertensieve encefalopathie, ICP↑ |
| uit malariagebied | cerebrale malaria |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: glucose meten, zo vroeg mogelijk bij de opvang. Op indicatie andere onderzoeken (zie specifieke ziektebeelden) als bloed- en urineonderzoek, kweken, toxicologisch onderzoek.
LP: bij verdenking meningitis, of SAB. Cave relatieve CI: contra-indicaties. Mag de behandeling van een zieke patiënt met verdenking meningitis niet vertragen.
CT hersenen: bij verschijnselen van lateralisatie om lokale laesie uit te sluiten.
SEH-behandeling
AB: geef altijd 15 l/min O2 via NRM, bij mogelijk trauma immobilisatie van de nek. Overweeg intubatie en beademing bij een EMV < 9.
CDE: monitor vitale parameters en kinder-EMV à 15 min.
DEFG: Don’t Ever Forget Glucose.
H: vroeg hulp (laten) halen: kinderarts, anesthesist, (kinder)intensivist.
Behandel de behandelbare oorzaken of symptomen:
Hypoglykemie > glucose < 4 mmol/l, geef 5 ml/kg 10% glucose of 10 ml/kg 5% IV.
-
ICP ↑ i.o.m. kinderarts/intensivist:
- intubatie;
- normocapnie (evt. kortdurende hyperventilatie);
- goede veneuze afvloed: bed in anti-Trendelenburg 30° en hoofd in de midline (cq neutrale stand), fixatielint tube niet over de v. jugularis laten lopen;
- mannitol 0,5-1,0 g/kg IV;
- evt. dexamethason (meningitis, intracranieel proces);
Convulsies: diazepam rectiole 0,5 mg/kg.
Meningitis: ceftriaxon 100 mg/kg bolus, max 4 g IV. Neonaat 1e twee levensweken: 50 mg/kg bolus IV. Bij onbekende verwekker vóór of tijdens eerste gift dexamethason 0,15 mg/kg.
Intoxicatie.
Hypertensieve crisis. Eerst ICP ↑ behandelen, dan antihypertensiva (tabel 2.5).
Tabel 2.5.
Dosering antihypertensiva kinderen
| Medicament | Dosis | Opmerkingen |
|---|---|---|
| labetalol | 0,5-1,0 mg/kg/uur | α- en β-blokkerniet bij overvulling |
| nitroprusside | 0,2-1 µg/kg/min | vaatverwijdercave cyanide intox |
| nifedipine | 0,25 mg/kg (bolus) | vaatverwijdercapsule kauwenbolus = moeilijk titreerbaar |
Opname/ontslag
Afhankelijk van oorzaak, reactie op behandeling en prognose: regel definitieve opvang of overplaatsing van het kind (PICU).
Cave
Zolang er geen duidelijke oorzaak voor het coma is gevonden, behandelen als meningitis. Overweeg altijd of er sprake is van verhoogde intracraniële druk.
2.3 Bewustzijnsdaling volwassene
Voor een intact bewustzijn is goede functie van de cortex beiderzijds en de hersenstam noodzakelijk. Vermijd termen als suf of niet aanspreekbaar, omdat deze door iedereen anders geïnterpreteerd kunnen worden. Voor een snelle beoordeling kan de AVPU-schaal gebruikt worden, een gestandaardiseerd instrument zoals Glasgow Coma Scale geeft meer informatie. Coma is gedefinieerd als een EMV kleiner dan 8 of P uit de AVPU-schaal.
Presentatie
Heteroanamnese
Optreden: heteroanamnese, tijdstip, progressie, veranderingen in bewustzijnsniveau, cognitieve achteruitgang.
Voorafgaande verschijnselen: koorts, trauma, hoofdpijn, suïcidaliteit, lateralisatie.
Begeleidende verschijnselen: hallucinaties, wanen, dag-nachtritme.
Voorgeschiedenis, medicatiegebruik/in huis, intoxicaties
Lichamelijk onderzoek
Vitale functies
Ademhaling: geur (alcoholintoxicatie, ketoacidose, uremie), patroon (hypo/hyperventilatie, Cheyne-Stokes, apneus)
Bewustzijn: AVPU of Glasgow Coma Scale.
Cognitief: oriëntatie in tijd/plaats/persoon, MMSE.
Neurologisch onderzoek: meningisme, papiloedeem, pupil reacties, oogstand, nystagmus, corneareflex, poppenkop fenomeen (vestibulo-oculaire reflex: intact mesencephalon als ogen fixeren bij draaien hoofd), voetzoolreflexen, lateralisatie, houding, tonus, tremoren, ongewilde bewegingen.
Huid: intraveneus drugsgebruik, infectie, trauma (Battle’s sign), petechiën.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.6.
DD bewustzijnsdaling
| Syndroom | Symptomen | Oorzaken |
|---|---|---|
| verhoogde intracraniële druk (ICP) | hoofdpijn, N/V, insulten, hypertensie, hoge polsdruk, bradycardie, papiloedeem. | SAB, SDH, meningitis, RIP, encefalitis, trauma, status epilepticus, postanoxisch, sinus trombose, cerebraal oedeem |
| herniatie | symptomen afhankelijk van progressie: (mid)wijde lichtstijve pupil, asymmetrische oogstand, hemiparese tot decorticatie tot decerebratie, tekenen verhoogde intracraniële druk | RIP: bloeding, abces, tumor, hydrocephalus. Groot ischemisch CVA, SAB, SDH, meningitis, trauma, status epilepticus, postanoxisch, sinus trombose, cerebraal oedeem |
| hersenstam probleem | Cheyne-Stokes tot irreguliere ademhaling, asymmetrische oogstand/beweging, nauwe pupillen, quadriparese | encefalitis, bloeding of ischemie pons/mesencephalon |
| metabool/toxisch |
• symmetrische kliniek, behalve bij hypo/hyperglykemie • onwillekeurige bewegingen en tremoren of slappe tonus • afwijkende houding en corneareflexen kunnen voorkomen • delier • specifieke symptomen bij intoxicaties |
toxinen (bijv. CO), intoxicaties, geneesmiddelen, nier/leverfalen, elektrolytafwijkingen, hypoxie, hypercapnie, hypo/hyperthermie, hyper/hypoglykemie, Wernicke, hypo/hyperthyreoïdie, Addison |
| delier | acuut ontstaan, wisselend bewustzijn, onrust, gedragsveranderingen, verminderd concentratievermogen, hallucinaties, wanen en een afwijkend dag-nachtritmealtijd een somatische oorzaak | onttrekking (benzodiazepines, alcohol), infectieus, metabool (glucose, elektrolyten), endocrien, nier- of leverfalen, medicamenteus |
| psychogeen | Houdt ogen actief gesloten, naar boven wegdraaiende knipperende ogen, hand niet op gelaat laten vallen, reactie op kietelen. | psychosociaal, catatonie |
| overig | divers | meningo-encefalitis, malaria, tyfus, syphilis, insult, postictaal, shock, hypertensieve crisis, sinus trombose, vasculitis |
Aanvullend onderzoek
Altijd bedside glucose.
Bloedonderzoek: VBB, glucose, elektrolyten, lever/nierfuncties, bloedgas, stolling.
Urineonderzoek: sediment.
ECG.
Beeldvorming: X-thorax, CT hersenen.
Op indicatie: overweeg antidotum, medicatie/drugs/alcoholspiegel, ammoniak, lactaat, CO, TSH/FT4, bloedkweken, LP (na CT), EEG, MRI.
SEH-behandeling
A: Immobiliseer CWK indien (mogelijk) trauma. Zorg voor een goede ademweg, bijvoorbeeld door stabiele zijligging. Overweeg intubatie bij EMV ≤ 8, zeker bij lage saturatie of braken.
B: Corrigeer hypoxie door middel van zuurstof of intubatie en ventilatie.
C: Corrigeer hypotensie/shock.
D: Specifieke behandeling al naar gelang oorzaak.
Tabel 2.7.
Te overwegen behandeling bewustzijnsdaling
| Indicatie | Behandeling | Dosis, caveat |
|---|---|---|
| hypertensie (MAP > 130) | labetalol |
• 5-10 mg bolus IV • in principe niet behandelen, tenzij ernstig en trombolyse-indicatie, of gevaarlijke complicaties (ACS) • alléén in overleg met neuroloog |
| hyperthermie > 38,5 °C | koelen, paracetamol, antibiotica |
• paracetamol 1000 mg PR, PO of IV • cave sepsis of hyperthermiesyndroom |
| hypothermie < 33 °C | opwarmen |
• milde hypothermie is neuroprotectief • ernstige hypothermie is schadelijk. |
| hypoglykemie | glucose | 50 ml 50% IV, herhaal zo nodig |
| Wernicke, alcoholisme, cachexie | thiamine | bij verdenking encefalopathie 500 mg IV, anders 250 mg IM/IV (cave hypoglykemie, eerst corrigeren) |
| opiaatintoxicatie | naloxon (Narcan ®) |
• 0,4-2,0 mg IV herhalen per 3 minuten, echter cave acute onttrekking, agressie of insult • naloxon heeft kortere t½ dan opiaten, dus terugval, dan evt. pomp starten |
| benzodiazepine-intoxicatie | flumazenil (Anexate ®) |
• 0,2 mg/min, max 3 mg IV • flumazenil heeft kortere t½ dan benzodiazepines, dus terugval • cave: kan bij chronische benzodiazepinegebruiker insult geven |
| verhoogde intracraniële druk | mannitol | bij verslechtering en wachten op OK 1 g/kg IV in overleg met neuroloog/neurochirurg |
| (nonconvulsief) insult | benzodiazepine | clonazepam 1 mg IV of diazepam 10 mg rectaal |
Opname/ontslag
Als het bewustzijn volledig hersteld is en de oorzaak bekend of ongevaarlijk, kan patiënt in principe ontslagen worden (bijv. bij psychogeen coma, na correctie hypoglykemie, na uitslapen intoxicatie, na behandeling oorzaak delier, insult bij bekende epilepticus).
Opname als de bewustzijnsdaling persisteert of de aandoening het nodig maakt, op een bewaakte afdeling.
Cave
Locked in syndrome: patiënt is volledig bij bewustzijn maar kan niet bewegen of praten. A. basilaris afsluiting met infarcering van pons geeft totale parese met uitzondering van de innervatie van de ogen (knipperen op commando, oogbewegingen in verticale vlak).
Denk bij ouderen en alcoholabusus met gedragsstoornissen en/of hoofdpijn aan een chronisch subduraal hematoom, trauma vaak al langer geleden of vergeten.
2.4 Buikpijn onderbuik, vrouw
Pijn in de onderbuik kan zijn oorzaak hebben in het abdomen of vanuit het urogenitale apparaat. Bij deze oorzaken staan de gastro-intestinale klachten meestal niet op de voorgrond. Soms presenteren deze casus zich met vagale klachten (misselijkheid, bradycardie, collaps) vanwege heftige pijn.
Presentatie
Anamnese
Koorts, mictieklachten, schouderpijn (diafragma prikkeling door bloed of lucht), vervoerspijn, relatie met cyclus, vaginaal bloedverlies of afscheiding, LMP, zwangerschap, anticonceptie, seksuele anamnese (spreek z.n. patiënte alleen).
Lichamelijk onderzoek
Vitale functies, temperatuur, algemeen buikonderzoek met VT, RT en (indien mogelijk) speculumonderzoek.
Risicofactoren
SOA: onbeschermd seksueel contact met wisselende partners, nieuwe partner, partner met urethritisklachten of bewezen SOA.
EUG/PID: eerdere EUG/PID, IUD, tuba OK of ligatie, meerdere partners, adolescentie, recente IUD plaatsing, curettage of partus.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.8.
DD onderbuikspijn
| premenopauzaal | zwanger |
• EUG • spontane abortus • infarcering leiomyoom • solutio placentae • vroegtijdige weeën |
| niet zwanger, cyclusgerelateerd |
• Fysiologische dysmenorroe: pijn net vóór begin menses en piek begindagen, therapie NSAID, controle HA • Endometriose: dysmenorroe, menstruele klachten, infertiliteit en dyspareunie. Endometriumcyste kan ruptureren en hevig intra-abdominaal bloedverlies geven. ICC gynaecologie. • Ruptuur corpus luteum: net vóór de menstruatie en kan hevig bloeden. Z.n. consult gynaecologie, anders NSAID en controle HA. • Ovulatiebloeding: plotse midcyclische pijn met soms peritoneale prikkeling. Zelden intra-abdominaal bloedverlies van betekenis. Z.n. consult gynaecologie, anders NSAID en controle HA. |
|
| niet zwanger, niet cyclusgerelateerd |
• appendicitis • perforatie hol orgaan • Torsie adnex of bloeding/ruptuur ovariumcyste: plots unilaterale pijn, evt. voorafgegaan door periode van mildere aanvallen van dezelfde pijn. Bij torsie N, V. Buik drukpijnlijk tot peritoneale prikkeling, VT gevoelig. Acuut begin: alleen leukocytose, subacuut verloop: ook CRP/BSE-verhoging. Lastige diagnose. ICC gynaecologie. • Torsie/infarct leiomyomen (vleesbomen): acute koliek pijn en pijnlijke uterus bij VT. Kan ook tijdens zwangerschap. Z.n. consult gynaecologie, anders NSAID en controle HA. • Uterusperforatie: door IUD (spiraaltje) of na curettage, na hysteroscopische of laparoscopische diathermische procedure. Enkele dagen na ingreep progressieve klachten. Peritoneale prikkeling. Soms ectopisch IUD of vrij lucht aantoonbaar op X-BOZ /thorax. Consult gynaecologie. • Urineweginfectie (UWI) Pelvic Inflammatory Disease (PID) |
|
| postmenopauzaal |
• vasculair: AAA, darmischemie • infectieus: appendicitis, perforatie, abces, diverticulitis • neoplasmata |
|
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: VBB, BSE, CRP, zwangerschapstest urine of β HCG serum. Lactaat bij verdenking sepsis of darmischemie. Leverenzymen en nierfuncties op indicatie.
-
Beeldvorming:
- X-thorax staand of X-BOZ liggend/staand: aantonen vrij lucht bij verdenking perforatie hol orgaan.
- Echo abdomen: bij instabiele patiënten aantonen vrij vocht.
- Vaginale echo bij verdenking gynaecologisch probleem.
SEH-behandeling
C: zorg voor goede veneuze toegang (bij shock 2 grote infusen). Shock kan septisch of hypovolemisch zijn. Vullen met bolus 500 ml NaCl 0,9% of Ringers lactaat, herhalen. In geval van instabiele hemorragie bloedtransfusie, bij elke 3 units packed cells 1 unit FFP.
Patiënt nuchter houden tot diagnose en beleid bekend zijn.
Pijnstilling: bij heftige pijn morfinepreparaat IV titreren. NSAID’s gecontra-indiceerd bij zwangerschap.
Zo nodig consult chirurg, gynaecoloog.
Opname/ontslag
Opname bij hemodynamische instabiliteit, chirurgisch ingrijpen noodzakelijk (bijv. torsie), oncontroleerbare pijn. Overweeg ook laagdrempelig ouderen op te nemen met duidelijke buikpijn (nog) zonder duidelijke oorzaak. Bij jonge leeftijd laagdrempeliger zijn met laparoscopie i.v.m. fertiliteit.
Poliklinisch bij stabiele patiënten zonder indicatie voor OK. Zorg voor follow-up. Bij progressie van de klachten herbeoordelen.
2.5 Buikpijn/Peritonitis
Buikpijn wordt niet altijd veroorzaakt door pathologie van de tractus digestivus, cave cardiopulmonale pathologie. Bij elke patiënt met buikpijn is het van belang om peritonitis (ontsteking van het buikvlies) uit te sluiten. Peritonitis is een ernstig ziektebeeld.
Presentatie
Anamnese
Aard, lokalisatie, uitstraling, ernst, tijdsverloop van de pijn. Defecatiepatroon, anorexie, koorts, braken, misselijkheid. Karakter en datum laatste menses, fluorklachten, vaginaal bloedverlies, mictie. Kortademigheid, hoesten, pijn op de borst. Voorgeschiedenis, medicatie.
Lichamelijk onderzoek
Vitale functies, hart, longen, abdomen, genitaal, RT/VT. Let specifiek op peritonitis (tabel 2.9), aanwezigheid van (pijnlijke) weerstanden, aanwezigheid pulserende massa, herniae.
Tabel 2.9.
Tekenen van peritonitis
| Anamnestisch | Lichamelijk onderzoek |
|---|---|
| vervoerspijn, troebel peritoneaal dialysevocht | shock, koorts, stille buik, onwillekeurig spierverzet, percussiepijn, loslaatpijn |
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.10.
DD buikpijn naar lokalisatie
| diffuus | rug | |
|---|---|---|
|
• abdominaal: gastro-enteritis, obstipatie, ileus, pancreatitis, colitis, maligniteit, corpus alienum, perforatie hol orgaan • gegeneraliseerde peritonitis: Spontane Bacteriële Peritonitis (SBP) bij ascites, CAPD-infectie, vrij bloed na trauma, corpus alienum na OK, peritonitis carcinomatosa • vasculair: mesenteriaal trombose, aneurysma aortae • diversen: sikkelcelcrisis, DM, Porfyrie, herpes zoster, spierscheur/hematoom buikwand, intoxicaties (methanol, zware metalen) |
• aneurysma aortae • cholelithiasis • pancreatitis • ulcus duodeni (geperforeerd) • urologie: urolithiasis, pyelonefritis |
|
| rechterbovenkwadrant | epigastrio | linkerbovenkwadrant |
|
• gal: cholecystitis, cholelithiasis • lever: hepatitis, leverabces, hepatomegalie, perihepatitis (Fitz-Hugh-Curtis) • darm: perforatie duodenum, retrocaecale appendicitis • extra-abdominaal: myocardischemie, pneumonie, longembolie |
• maag: ulcuslijden, gastritis, reflux, perforatie • pancreatitis • aneurysma aortae • hernia buikwand/navel • extra-abdominaal: myocardischemie, pericarditis, ketoacidose (alcoholisch of diabetisch) |
• maag: ulcuslijden, gastritis, reflux • pancreatitis • milt (ruptuur, infarct, aneurysma, splenomegalie) • urologie: urolithiasis, pyelonefritis • extra-abdominaal: myocardischemie, pneumonie, longembolie |
| rechter onderkwadrant | suprapubisch | linker onderkwadrant |
|
• darm: appendicitis, IBD, Meckel’s divertikel, diverticulitis • lymfadenitis mesenterica • urolithiasis • buikwandhematoom, psoas abces/hematoom, hernia inguinalis • gynaecologisch • genitaal man |
• darm: diverticulitis, IBD (colitis), buikwandhematoom • urologisch: cystitis, urineretentie, blaascarcinoom • gynaecologisch • genitaal man |
• darm: diverticulitis, IBD, buikwandhematoom, psoas abces/hematoom, hernia inguinalis • urolithiasis • gynaecologisch • genitaal man |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: VBB, kruisbloed, CRP, glucose, elektrolyten, nierfunctie, leverenzymen. Op indicatie: amylase, lipase, ammoniak, lactaat, troponine, bloedgas, stolling, D-dimeer, β-HCG, bloedkweek.
Urineonderzoek: sediment, zwangerschapstest bij alle vrouwen in vruchtbare leeftijd. Evt. urinekweek en amylase in de urine.
Beeldvorming: op indicatie echo (vrij lucht, urolithiasis, ileus), X-thorax, X-BOZ, CT. CT-angio bij verdenking mesenteriale trombose.
ECG altijd bij ouderen, bovenbuikklachten, DM.
Bij patiënten met koorts en ascites/CAPD: buikvocht voor gramkleuring, leukocytentelling, kweken, evt. ook eiwit, albumine, glucose, LDH, amylase, cytologie. Z.n. ascitespunctie door radioloog/internist.
SEH-behandeling
ABC: zuurstof, lopend infuus 0,9% NaCl overwegen.
Niets PO tot diagnose duidelijk of ontslag.
Adequate pijnstilling: goed getitreerde IV pijnbestrijding met opioïden beïnvloedt het stellen van de diagnose niet.
Consult chirurg, gynaecoloog, uroloog, internist/gastro-enteroloog op indicatie. Bij tekenen van peritonitis altijd laten mee beoordelen.
Antibiotica, zie onder desbetreffende diagnose.
Opname/ontslag
Afhankelijk van ernst van de klachten en al dan niet bekend zijn van een diagnose. Patiënten die naar huis gaan moet altijd de mogelijkheid worden geboden om laagdrempelig terug te komen. Herevaluatie na 1 dag eventueel met laboratoriumonderzoek kan soms verhelderend werken.
Cave
Oudere patiënten hebben vaak minder specifieke en mildere symptomen, maar een hoge morbiditeit en mortaliteit bij buikklachten.
2.6 Buikpijn, zwangerschap
Buikpijn in de zwangerschap hoeft niet aan de zwangerschap gerelateerd te zijn. Denk echter altijd aan de mogelijkheid van beginnende weeën. Een abdominaal infectieus proces kan desastreus zijn voor het kind. Presentaties van niet-zwangerschapgerelateerde aandoeningen kunnen aspecifieker zijn (bijv. verplaatsing punctum maximum bij een appendicitis naar de RBB).
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.11.
DD buikklachten in de zwangerschap
| DD | Opmerkingen | |
|---|---|---|
| gerelateerd aan de zwangerschap | weeënactiviteit | intermitterende pijn (onder)buik en/of rug en/of liezen. Vaginaal bloed of vochtverlies +/- |
|
• pre-eclampsie • HELLP |
pijn bovenbuik (vaak beschreven als bandgevoel) en algehele klachten | |
| solutio placentae | keiharde uterus +/- vaginaal bloedverlies | |
| molazwangerschap | pijn onderbuik en vaginaal bloedverlies +/- met blaasjesachtig weefselgrootte uterus groter dan passend bij amenorroeduur | |
| EUG | pijn onderbuik, mogelijk collaps, vaginaal bloedverlies hoeft niet aanwezig te zijn | |
| abortus | Onderbuikspijnbloedverlies +/- tot +++ | |
| necrose leiomyoom | buikpijn, lokale pijnlijke palpatie, V +/-, milde temperatuurverhoging +/-. | |
| torsie, ruptuur of bloeding ovariumcyste | plots pijn onderbuik, soms met vagale symptomen tot hypotensief toe (bradycard!) | |
| gastro-oesofageale reflux | Vaak op fysiologische basis (relaxatie sfincter). R/antiacida eerst proberen. | |
| niet gerelateerd aan de zwangerschap | UWI (cystitis/pyelonefritis) | kan ook asymptomatisch als toevalsbevinding, altijd behandelen, bijv. amoxicilline 3 dd 500 mg |
| appendicitis acuta |
• later in de zwangerschap aspecifieker verloop door verplaatsing appendix naar boven en naar posterior • peritoneale prikkeling minder duidelijk • peritonitis kan continu harde uterus veroorzaken |
|
| cholelithiasis/-itis | beeld conform buiten de zwangerschap | |
| acute pancreatitis |
• meestal gerelateerd aan galstenen • bij bovenbuikklachten altijd amylase bepalen |
|
| perforatie hol orgaan | bij verdenking staande X-thorax i.o.m. specialist | |
| intestinale obstructie | Meestal t.g.v. adhesies na eerdere buik OK. Symptomen worden in begin wel eens als zwangerschapgerelateerd gezien. Palpatoir gevoelige buik en hoge pingels wijst dan richting ileus. X-BOZ i.o.m. specialist. |
2.7 Diarree en/of braken, kind
Diarree en/of braken zijn vaak voorkomende klachten bij kinderen. Vaak is de oorzaak een gastro-enteritis, maar deze symptomen kunnen ook secundair aan andere oorzaken zijn. Belangrijk is om de mate van dehydratie te bepalen en de oorzaken op te merken waarvoor een specifieke behandeling noodzakelijk is (zie tabel 2.13 Differentiaaldiagnose).
Tabel 2.13.
DD diarree/braken kind
| Oorzaken | Opmerkingen, evt. aanvullend onderzoek/specifiek beleid |
|---|---|
|
gastro-enteritis: • viraal (meest voorkomend) • bacterieel (E-coli, Campylobacter, Shigella) • parasitair (malaria, giardiasis, amoebiasis) |
• zie ook SEH-behandeling • alleen bij ernstige dehydratie check voor hyper-/hyponatriëmie • laboratorium bij ziek kind, bloederige diarree, dehydratie: kweek, evt. microscopie ontlasting |
| systemische infecties: sepsis, meningitis | |
|
lokale infecties:• LWI • otitis media • hepatitis A • UWI |
overweeg: laboratorium bij ziek kind• urinesediment • X-thorax • serologie |
|
chirurgische afwijkingen:• pylorus stenose • invaginatie • appendicitis • necrotiserende enterocolitis • Hirschsprung |
laboratorium, overweeg • X-BOZ • echo abdomen • → ICC chirurgie |
| metabool: diabetische ketoacidose | laboratorium met bloedgasanalyse |
| nierziekte: hemolytisch uremisch syndroom | beeld met nierfalen, hemolytische anemie, trombocytopenie, typisch optredend na/aansluitend op gastro-enteritis |
| post-gastro-enteritissyndroom | bij start gewone dieet na een GE-episode, weer diarree door tijdelijke lactulose-intolerantie |
Presentatie
Anamnese
Vraag naar:
Ontlasting. Wat bedoelen de ouders met ‘diarree’: dunner dan anders? Toegenomen frequentie? Kleur, bloed? Bekijk evt. meegebrachte ontlasting.
Braken: teruggeven van voeding? Aansluitend op voeding of later? Projectiel braken?
Eetlustverandering? Vochtintake (specificeer)?
Tekenen van dehydratie: afnemende mictie (aantal ‘natte luiers’. Let op: soms lijkt waterdunne diarree op een gewone natte luier), zie ook tabel 2.13.
Andere (lokaliserende) klachten? Koorts, KNO-klachten, buikpijn, hoofdpijn, mictieklachten, hematurie. Ziek geweest voor het ontstaan van diarree/braken? Buitenlandse reizen (subtropen)?
Lichamelijk onderzoek
Bepaal de mate van dehydratie (tabel 2.12). Kijk een kind altijd helemaal na, inclusief KNO-gebied, om andere oorzaken dan een gastro-enteritis op het spoor te komen.
Tabel 2.12.
Klinische beoordeling van dehydratie
| Dehydratie % | Mild (3-5%) | Matig (6-10%) | Ernstig (≥ 10%) |
|---|---|---|---|
| gewichtsverlies | < 5% | 5-10% | > 10% |
| algemene indruk bewustzijnsniveau | dorstig, alert, rusteloos | dorstig, rusteloos of sloom, maar prikkelbaar bij aanraken | angstig, suf, somnolent, slap, soms comateuskoud, klam, acrocyanose |
| ogen | normaal | ingevallen | sterk ingevallen |
| fontanel | normaal | zacht | ingezonken |
| slijmvlies | normaal | droog | zeer droog / kloven |
| tranen | normaal | afgenomen | afwezig |
| huidturgor | normaal | ↓ | ↓↓ |
| ademhaling | normaal | tachypneu | tachypneu en diep |
| capillary refill | < 2 seconden | 2-3 seconden | > 3 seconden |
| pulsaties | normaal | versneld | zwak tot afwezig |
| hartfrequentie | normaal | versneld | tachycardie |
| urineproductie | ↓↓ | oligurie/anurie |
Differentiaaldiagnose
Aanvullend onderzoek
Bij verdenking ongecompliceerde gastro-enteritis (geen hoge koorts, geen sepsis, alleen milde dehydratie, geen tekenen van ander onderliggend lijden) heeft aanvullend onderzoek geen zin.
Gastro-enteritis met matige tot ernstige dehydratie: glucose, Na (hyper- of hyponatriëmie kan optreden), K, creatinine, ureum.
SEH-behandeling gastro-enteritis
Hoofdzaak is rehydratie (figuur 2.1) en alleen op indicatie aanvullende behandeling, gericht op de oorzaak i.o.m. de kinderarts.
Antibiotica. Alleen bij ernstig ziek kind en/of bloederige diarree en bij voorkeur o.g.v. microscopie feces (amoebe, Giardia) of kweekuitslag.
Andere medicatie. Geen anti-emetica of anti-diarreemiddelen (zoals loperamide) geven bij acute diarree.
Figuur 2.1.

Vochtbeleid
Opname/ontslag
Opname
Alle matig tot ernstige gedehydreerde en/of ernstig zieke kinderen. Beleid als hierboven voortzetten.
Ontslag
Milde dehydratie. Schrijf ORS voor. < 2 jaar 500 ml/dag, 2.10 jaar 1000 ml/dag, > 10 jaar 2000 ml/dag. Laat het kind zoveel drinken als het zelf wil. Daarbij is ORS aanbieden heel belangrijk. Bij jonge kinderen veelvuldig aanbieden met een lepel(tje) elke twee minuten, oudere kinderen (> 2 jaar) bekertje. Bij braken: wacht tien minuten, dan in langzamer tempo aanbieden. Bij verslechteren (hogere frequentie diarree, veel overgeven, blijvende dorst, koorts, bloederige diarree, minder alert) contact laten opnemen. Als diarree is gestopt: gewone dieet hervatten. Gewennen met vloeibaar voedsel of weglaten melk is niet nodig.
2.8 Diarree, volwassene
Presentatie
Anamnese
Begin van de klachten, frequentie, consistentie ontlasting, kleur, bloed- of slijmbijmenging. Rauw vlees/kip of schaaldieren gegeten. Misselijkheid, braken, buikpijn, koorts, intake, gewichtsverlies. Recent tropenverblijf, diarreeklachten bij gezinsleden. Gebruik van laxantia of andere medicatie (antibiotica, loperamide). Normale defecatiepatroon. Beroep (zorg, voeding, horeca).
Lichamelijk onderzoek
Vitale parameters. Koorts wijst op infectieuze oorzaak. Aften in mond, gewrichtsklachten, huidafwijkingen bij inflammatoire darmziekten. Verricht rectaal toucher ter uitsluiting fecale impactie, kleur en consistentie ontlasting, bloed of slijm. Tekenen van dehydratie zijn (orthostatische) hypotensie, tachycardie, verlaagde turgor, droge slijmvliezen. Soms diffuus gevoelige buik bij palpatie bij invasieve infectie.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.14.
DD buikpijn, volwassene
| infectieus (meest voorkomend) |
• viraal: rotavirus, Norwalkvirus • bacterieel: Shigella, Salmonella, Campylobacter, Yersinia, Staphylococcus aureus, Vibrio cholera, pathogene Escherichia-colistammen, Bacillis cereus, Clostridium perfringens en difficile (pseudomembraneuze colitis bijv. na antibioticagebruik) • protozoa: Giardia lamblia, Entamoeba histolytica, cryptosporidium, (malaria) |
| inflammatoir | colitis ulcerosa, m. Crohn, ischemische colitis |
| medicamenteus | laxantia, metformine, colchicine, diverse antibiotica |
| endocriene | hyperthyreoïdie, Addison, diabetes, hypoparathyreoïdie |
| overig | malabsorptie bij coeliakie, na darmresectie, lactose-intolerantie, overloopdiarree bij fecale impactie, alcohol, postinfectieuze diarree |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: creatinine, ureum, hematocriet: stijging bij dehydratie. Hypokaliëmie bij ernstige diarree. Leukocytose en verhoogd CRP bij infectieuze gastro-enteritis. Anemie mogelijk bij inflammatoire darmziekten of malabsorptie.
Feceskweken bij verdenking inflammatoire oorzaak en ernstige diarree. Kweek op Campylobacter en Salmonella. Na verblijf in de tropen tevens op Shigella.
Microscopisch onderzoek op protozoa bij diarree langer dan 10 dgn (meerdere porties).
Eventueel virusserologie.
Overweeg na verblijf in de tropen diagnostiek naar malaria (kan diarree als hoofdklacht geven).
SEH-behandeling
Let op hygiëne.
Dehydratie: start intraveneuze rehydratie met NaCl en z.n. 20 mmol/l KCl. Continueren op geleide van elektrolyten, bloeddruk en inschatting vochtverlies bij aanhoudende diarree.
Infectieuze gastro-enteritis is meestal zelflimiterend. Start antibiotica alleen bij aanhoudende koorts en bloedbijmenging, volgens lokaal protocol bijv. azitromycine 1 dd 500 mg gedurende 3 dgn. Indien intraveneuze toediening noodzakelijk is erytromycine 4 dd 500 mg met ciprofloxacine 2 dd 400 mg.
Pseudomembraneuze colitis door Clostridium difficile start metronidazol 3 dd 500 mg of vancomycine 4 dd 125 mg PO gedurende 10 dgn.
Opname/ontslag
Ontslag bij voldoende mogelijkheid voor orale rehydratie (ORS), dieet aanpassing niet evidence based. Aandacht voor hygiëne en invloed op beroep (z.n. contact bedrijfsarts laten opnemen). Geef alleen symptomatisch loperamide voor max 2 dgn, als er géén koorts is en/of niet verdacht voor infectieuze diarree. Begindosering 4 mg, daarna 2 mg elke 2 uur met een maximum van 16 mg/dag. Tijdelijk stoppen diuretica. Bij chronische diarree of verdenking inflammatoire darmziekten poliklinische doorverwijzing naar gastro-enteroloog voor nader onderzoek.
Opname bij dehydratie (met name bij kinderen en ouderen) of ernstige ziekte. Dan intraveneuze rehydratie.
Cave
Denk aan de meldingsplicht van bepaalde infectieziekten.
Resorptie van andere medicamenten (en anticonceptie) door diarree mogelijk verminderd.
Hemolytisch uremisch syndroom als potentieel levensbedreigende complicatie bij diarree door enterohemorragische E. Coli. Hierbij nierfunctiestoornissen, trombocytopenie en microangiopathische hemolytische anemie.
2.9 Doofheid
Geleidingsverlies : gehoorverlies door afwijkingen aan gehoorgang, trommelvlies of middenoor, waaronder de gehoorbeenketen.
Perceptief verliesperceptief verlies: gehoorverlies door aandoeningen aan slakkenhuis, gehoorzenuw of centraal auditief zenuwstelsel.
Presentatie
Vaak bemerkt de patiënt bij het opstaan dat het gehoor verminderd is of bij telefoneren met het toestel aan het aangedane oor. Soms is er sprake van tinnitus of duizeligheid. Meestal is de aandoening unilateraal.
Anamnese
Duur van de klachten, bijkomende klachten of verschijnselen, trauma, infectie, pre-existent gehoorverlies, medische voorgeschiedenis, medicijngebruik.
Lichamelijk onderzoek
Otoscopie ter beoordeling middenoor, stemvorkproeven van Rinne en Weber (tabel 2.15) ter differentiatie tussen perceptief en geleidingsverlies, en neurologisch onderzoek met speciale aandacht voor hersenzenuwen en cerebellaire afwijkingen.
Tabel 2.15.
Onderscheid gehoorsverlies op basis van stemvorkproeven
| Rinne | Weber | |
|---|---|---|
| normaal | positief | geen lateralisatie |
| geleidingsverlies | negatief | lateralisatie naar slechte oor |
| perceptief verlies | positief | lateralisatie naar goede oor |
Rinne : de trillende stemvork wordt stevig tegen het mastoïd gedrukt tot de patiënt geen trilling meer hoort. De dan nog trillende stemvork wordt vervolgens voor het oor van de patiënt gehouden. Indien de patiënt nu wel weer trillingen hoort, is de Rinne positief.
Weber : de trillende stemvork wordt midden op de kruin van de patiënt geplaatst en aan de patiënt wordt gevraagd of hij het trillen hoort in het midden van het hoofd, of meer in linker of rechter oor.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.16.
DD plotse doofheid
| Geleidingsverlies | Perceptief verlies |
|---|---|
|
• cerumenprop • otitis media met effusie • otitis externa • trommelvliesperforatie • otosclerose • cholesteatoom |
• acuut idiopathisch perceptief gehoorverlies (perceptief verlies van 30 dB of meer, in 3 aaneengesloten audiometrische frequenties, zonder aanwijsbare oorzaak) • perilymfatische fistel bijv. na trauma, duiken of blootstelling aan hard geluid • (post)infectieus: OMA, meningitis, encefalitis, herpes zoster, mazelen, bof, hiv, borreliose • toxisch: narcosemiddelen, aminoglycosiden en andere antibiotica, cytostatica, salicylaten, lisdiuretica • M. Ménière • acusticusneurinoom • cerebrovasculair (vertebrobasilaire insufficiëntie, anterior inferior cerebellar artery). |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: alleen op indicatie.
Verwijzing naar KNO-heelkunde voor audiometrie op korte termijn.
Bij neurologische verschijnselen CT en/of MRI.
SEH-Behandeling
Geïmpacteerd cerumen kan op de SEH met haakje of zuigcanule verwijderd worden. Ototoxische medicatie dient gestopt te worden. In geval van acuut idiopathisch gehoorverlies valt een behandeling met prednisolon 1 mg/kg/dag gedurende 10 dagen te overwegen indien patiënt zich presenteert binnen 1 week na het ontstaan van het gehoorverlies.
Opname/ontslag
Patiënten met neurologische uitvalsverschijnselen moeten ter nadere analyse en bewaking worden opgenomen op een neurologieafdeling.
Overige patiënten kunnen met instructies naar huis. Zorg voor follow-up bij de KNO-heelkunde op korte termijn voor alle patiënten met perceptief gehoorverlies en voor die patiënten met geleidingsverlies bij wie dit niet afdoende behandeld is op de SEH. Patiënten met unilateraal acuut idiopathisch gehoorverlies genezen in 50% van de gevallen spontaan en compleet.
2.10 Duizeligheid
Presentatie
Van essentieel belang bij de beoordeling van de klacht ‘duizeligheid’ is het onderscheid in de volgende symptomen:
Draaiduizeligheid (= vertigo ): bewegingssensatie. Patiënt heeft de sensatie dat de ruimte om hem heen draait of dat het eigen lichaam draait. De oorzaak hiervoor ligt in het vestibulaire orgaan. Het kan gepaard gaan met vegetatieve verschijnselen.
Presyncopepresyncope: een licht gevoel in het hoofd of het gevoel flauw te gaan vallen. Hierbij ligt de oorzaak buiten het vestibulaire orgaan. Overweeg cardiale oorzaak.
Disequilibrium: een gevoel van onvastheid ter been bij staan of lopen, ten gevolge van (een combinatie van) visusvermindering, neuropathie, vestibulaire afwijkingen en orthopedische functiestoornissen. Het betreft vaak ouderen.
Lichamelijk onderzoek
Bloeddruk, orthostatische bloeddruk, pols, KNO-gebied, auscultatie van het hart, neurologisch onderzoek.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.17.
DD duizeligheid
| cardiovasculaire oorzaken |
• aritmieën (tachy- en brady-) • orthostatische hypotensie • hypovolemie of anemie • myocardischemie • structurele hart- of klepziekte • hypoxie • vasovagaal |
| neurologisch-otologische oorzaken |
• perifere vestibulaire oorzaken: benigne paroxismale positieduizeligheid (BPPD), neuritis vestibularis, ziekte van Ménière • centrale vestibulaire oorzaken: CVA, vertebrobasilaire ischemie, brughoektumor, Multiple Sclerose, basilarismigraine (zie ook tabel 2.18) |
| overige oorzaken |
• medicatie/intoxicatie bijv. aminoglycosiden, anticonvulsiva, antihypertensiva, antidiabetica, antipsychotica, sedativa, alcohol • psychische/psychiatrische aandoeningen: hyperventilatie, paniekaanval • schildklierstoornissen |
Benigne paroxismale positieduizeligheid (BPPD)benigne paroxismale positieduizeligheid (BPPD): een aanvalsgewijze draaiduizeligheid die maximaal enkele minuten duurt en veroorzaakt is door beweging van het hoofd.
Neuritis vestibularisneuritis vestibularis: een enkele dagen aanhoudende, heftige draaiduizeligheid die verergert door bewegen en gepaard gaat met misselijkheid en braken.
Ziekte van Ménièreziekte van MénièreMénièreziekte van: bij de ziekte van Ménière zijn er episoden van draaiduizeligheid met dikwijls vegetatieve verschijnselen die ten minste 20 minuten aanhouden en vergezeld gaan van oorsuizen en gehoorvermindering beginnend aan één oor.
Dix-Hallpike manoeuvreDix-Hallpike manoeuvre: patiënt zit met gestrekte benen op de onderzoeksbank, onderzoeker staat aan de rechterzijde. Onderzoeker draait het hoofd van patiënt 45º naar rechts. Terwijl patiënt de ogen steeds open houdt, laat de onderzoeker patiënt met een snelle beweging liggen, zodanig dat het hoofd wat afhangt over de rand van de onderzoeksbank. Gelet wordt op ontstaan, richting en uitdoving van de nystagmus. Als patiënt na enige minuten hersteld is van de vertigo, wordt de proef herhaald, ditmaal met de onderzoeker aan de linkerkant van patiënt en met het hoofd 45º naar links gedraaid.
Tabel 2.18.
Perifere versus centrale vertigo
| Symptoom | Perifeer | Centraal |
|---|---|---|
| misselijkheid en braken | ernstig | matig |
| nystagmus | ||
| type | horizontaal-rotatoir of rotatoir, nooit verticaal | elke richting mogelijk (kan puur verticaal zijn) |
| richting | één richting (onafhankelijk van blikrichting) | kan twee richtingen hebben (richting wisselt afhankelijk van blikrichting) |
| fixeren | Blik fixeren vermindert nystagmus | niet onderdrukt door fixeren |
| uitdoving | nystagmus vermindert bij herhaald opzij laten kijken | dooft niet uit |
| loop | ||
| balans | licht verminderd | ernstig verminderd, vaak is lopen niet mogelijk |
| valneiging | in tegenovergestelde richting van de snelle fase van de nystagmus | naar beide kanten |
| Romberg | valt in tegenovergestelde richting van de snelle fase van de nystagmus | valneiging naar beide kanten |
| gehoorverlies | vaak | zeldzaam |
| bijkomende neurologische symptomen | geen | vaak (hersenzenuwen, motorische zwakte, ernstige coördinatiestoornissen, sensibele stoornissen, abnormale reflexen) |
| nystagmus bij Dix-Hallpike manoeuvre | start rotatoire nystagmus na 1-5 sec vertraging, dooft uit binnen 1 min | nystagmus kan direct of na vertraging beginnen, elk patroon hebben en kan aanhouden |
Aanvullend onderzoek
ECG: bij verdenking op cardiale oorzaak
Consult neurologie en CT of CTA bij verdenking op een centrale vestibulaire oorzaak.
SEH-Behandeling
ABC-benadering voor patiënten met neurologische of cardiovasculaire symptomen.
Bij ischemie, trombolyse en trombocytenaggregatieremmers volgens protocol.
In geval van aritmieën behandelen zoals aangegeven bij ritmestoornissen.
Metoclopramide supp of IV bij misselijkheid en braken.
Opname/ontslag
Opname
Patiënten met een bewezen centraal-vestibulaire aandoening, of een ernstige verdenking daarop, moeten worden opgenomen op een neurologieafdeling.
Ontslag
Patiënten met neuritis vestibularis kunnen met uitleg van de aandoening naar huis, eventueel met een recept voor een anti-emeticum.
Bij BPPD is het van belang aan de patiënt uit te leggen dat hij de vertigo niet dient te vermijden, maar die juist door oefeningen (Epley) moet opwekken om zo snel mogelijk van de klachten af te komen.
Als er verdenking op de ziekte van Ménière bestaat, krijgt patiënt een afspraak mee voor audiometrie en poli KNO.
Er bestaat onvoldoende bewijs voor het nut van betahistine bij de behandeling van draaiduizeligheidsklachten.
In geval van vasovagale of orthostatische klachten wordt aan de patiënt uitgelegd wat hij moet doen om de klachten te voorkomen of te bestrijden (op tijd gaan zitten, afwisselend op hakken en tenen staan, niet abrupt overeind komen etc.).
Als medicatie de meest voor de hand liggende veroorzaker van de klachten is, kan de medicatie zo mogelijk (in overleg met de voorschrijvende arts) gewijzigd, verminderd of gestaakt worden.
2.11 Dyspnoe , respiratory distress
Presentatie
Anamnese
Kortademig, pijn thorax, hoesten, koorts, trauma in anamnese, neurologische afwijkingen zoals spierzwakte, VG met maligniteit of immobilisatie, familieanamnese met DVT of longembolie.
Lichamelijk onderzoek
Cyanose, koorts, gestuwde halsvenen, oedemen, crepitaties, pleurawrijven, verlengd exspirium, doffe of hypertympane percussie, galopritme. Ademfrequentie (zelf tellen wantrouw het cijfer op de monitor) is een belangrijke vitale functie.
Aanwijzingen dreigend respiratoir falen
Geen hele zinnen kunnen spreken, grauwe kleur, cyanose, transpireren, gebruik hulpademhalingsspieren, rechtop moeten zitten, veranderd bewustzijn, uitgeputte indruk. Kliniek is belangrijker dan bloedgaswaarden (PaO2 verlaagd met/zonder verhoogd PaCO2).
Differentiaaldiagnose
Zie tabel 2.19. Meest voorkomende oorzaken (75%):
pulmonaal: astma, COPD, pneumonie;
cardiovasculair: longembolie, astma cardiale/longoedeem.
Tabel 2.19.
DD n.a.v. bevindingen
| POB | Koorts | CVD | Stridor | Exspirium | Auscultatie | Percussie | |
| astma | - | - | - | (exsp) | ↑ | - | - |
| COPD | - | -/(+) | - | - | ↑ | creps, S3 | - |
| pneumonie | +/- | +/(-) | - | - | - | creps, scherp AG | ↓ |
| longembolie | + | +/- | -/(↑) | - | - | creps, S3, gb | ↓/nl |
| longoedeem | +/- | - | ↑ | exsp | ↑/- | creps bdz, S3 | - |
| luchtwegobstructie | - | - | - | insp | - | ↓ AG, gb | - |
| pneumothorax | +/- | - | -/(↑) | - | - | ↓ AG, gb | ↑ |
| metabool | - | +/- | - | - | - | gb | - |
Andere oorzaken:
luchtwegobstructie (anafylaxie, corpus alienum);
pulmonaal: pneumo-/hematothorax, fladderthorax, maligniteit, pleurale effusie;
circulatoir: shock, diepe anemie of CO-intoxicatie;
neurologisch: CVA, spierzwakte bij bijv. Guillain Barré, dystonie t.g.v. medicatie;
metabool: acidose bij bijv. ketoacidose of aspirine-intoxicatie;
endocrien: hyperthyreoïdie, sepsis;
psychogeen: HVS.
Aanvullend onderzoek
SpO2-meting (cave incorrecte metingen bij bijv. CO-intoxicatie, slechte perifere circulatie, onrustige patiënt).
Bloedonderzoek: glucose, bloedgas, infectie lab, D-dimeer, cardiale enzymen, proNT-BNP.
ECG: aanwijzingen voor ritmestoornis, ischemie, linkerventrikelhypertrofie, longembolie.
-
Beeldvorming:
- X-thorax: stuwing, pleuravocht, infiltraten, pericardvocht, pneumothorax.
- Echocardiografie, spiraal CT thorax, V/Q scintigrafie op indicatie.
SEH-behandeling
A/B: behandel de hypoxemie. Geef óók bij COPD genoeg O2 om SaO2 > 90% (of individueel bekende waarde) te krijgen. Indien daarbij problemen (bewustzijnsdaling, hypoventilatie, of geen verbetering van de saturatie) ontstaan, denk aan respiratoir falen en overweeg intubatie en beademing.
Specifieke behandeling zie bij desbetreffend hoofdstuk.
Cave
Hyperventilatie is een symptoom, geen diagnose. Ook een ‘typische HVS’ bloedgas (pH > 7,45; (hoog) normale PaO2 en lage PaCO2) kan een ernstige somatische oorzaak hebben.
2.12 Dysurie
Presentatie
Anamnese
Klassieke symptomen: acute pijnlijke frequente mictie. Vaak riekende of troebele urine, hematurie, of onderbuikspijn. Vraag bij vrouwen ook naar zwangerschap, fluor, vaginaal bloedverlies. Bij mannen pijn perineum, urethrale afscheiding, pijn bij defecatie. Medische VG: recidiverende UWI, verblijfskatheter (gehad), verminderde weerstand (DM, immunosuppressiva), structurele afwijkingen nier en urinewegen.
Lichamelijk onderzoek
Bij stabiele, niet-zieke patiënt met klassieke symptomen is LO op de SEH alleen geïndiceerd bij mannen (inclusief RT). Zoek bij LO naar uitwendige afwijkingen genitalia, abnormale afscheiding urethra/vaginaal, demping/weerstand suprapubisch (blaasretentie) en slagpijn nierloges.
Cystitiscystitis: dysurie, frequente aandrang, hematurie, troebele urine, onderbuikspijn.
Urethritisurethritis: wel klachten, maar geen nitriet/hematurie in sediment.
Pyelonefritispyelonefritis: als cystitis + algemeen ziek, pijn rug, slagpijn nierloges.
Prostatitisprostatitis: milde mictieklachten, algemeen ziek, pijnlijke prostaat en perineum, pijn bij defecatie, lage rugpijn.
Urosepsisurosepsis: tekenen van urineweginfectie met sepsis.
Differentiaaldiagnose
Uitwendige huidlaesies: trauma, infecties bijv. Candida, herpes.
SOA.
Aanvullend onderzoek
Tabel 2.20.
Aanvullend onderzoek dysurie
| Patiëntengroep | Diagnostiek |
|---|---|
| algemeen ziek, pyelonefritis, sepsis | VBB, CRP, Na, K, creatinine, bloedkweken, echo nieren, IVP |
| vrouw, anamnestisch cystitis | urinestick/sediment |
| recidief/zwangere vrouw, man | urinestick/sediment, urinekweek |
| verdenking SOA | SOA-diagnostiek |
Urinesediment : positieve nitriet in urine bewijst een UWI (specifiek) maar negatieve nitriet sluit een UWI niet uit (niet sensitief). In een gewassen urine wijst bacteriurie of hematurie (in combinatie met dysurie) op UWI. Leukocyturie bij een negatieve nitriet wijst op UWI of urethritis.
SEH-behandeling
-
Urosepsis :
- A/B: zuurstof toedienen;
- C: vochtbolus 500 ml NaCl 0,9%, herhalen. Zo nodig inotropica;
- snel empirische behandeling: cefuroxim 3 dd 1500 mg IV evt. met gentamicine eenmalig 5 mg/kg IV, bij normale nierfunctie evt. voortzetten 1 dd. Bij slechte nierfunctie ceftazidim 3 dd 1000 mg IV.
-
Pyelonefritis :
- ziek, opname: antibiotica als bij urosepsis;
- niet ziek, naar huis: amoxicilline-clavulaanzuur 3 dd 500/125 mg PO 14 dagen.
-
Cystitis :
- ongecompliceerd: gezonde ♀, niet zwanger, niet algemeen ziek nitrofurantoïne gereguleerde afgifte 2 dd 100 mg of trimethoprim 1 dd 300 mg 3 dagen;
-
gecompliceerd:
- bij niet-zieke mannen, meisjes 5-12 jaar en patiënten DM: als bij ongecompliceerd maar dan 7 dagen;
- bij algemeen ziek en/of verblijfskatheter en/of afwijkingen nier en urinewegen: amoxicilline-clavulaanzuur 3 dd 500/125 mg of c-timoxazol 2 dd 960 mg 10 dagen;
- bij zwangeren: amoxicilline-clavulaanzuur 3 dd 500/125 mg 7 dagen, bij algemeen ziek zijn 10 dagen.
-
Prostatitisprostatitis (acuut = minder dan 3 maanden bestaand):
- Algemeen ziek, opname: amoxicilline-clavulaanzuur 4 dd 1000/200 IV of ciprofloxacine 2 dd 400 mg IV of ceftazidim 3 dd 1000 mg IV eventueel toevoegen gentamicine 1 dd 5 mg/kg;
- Niet ziek, naar huis: ciprofloxacine 2 dd 500 mg PO of amoxicilline-clavulaanzuur 3 dd 500/125 mg voor 3-4 weken. Bij milde vorm ciprofloxacine 2 dd 500 mg 10 dagen.
Opname/ontslag
Algemeen zieke patiënt opnemen met ruim infuus en antibiotica IV.
Indien niet-ziek dan naar huis met antibiotica en advies om veel te drinken, en mictie niet uit te stellen. Vrouwen met frequente recidieven, kinderen onder de 12 jaar en alle mannen verwijzen naar HA/uroloog voor verdere diagnostiek.
2.13 Extremiteitsklachten (niet-traumatisch)
Presentatie
Anamnese
Pijn in rust/beweging, claudicatio intermittens, zwelling, warmte, roodheid, uni- of bilateraal, kracht, tintelingen, sensibiliteit.
Trauma.
Maak onderscheid met klachten van de gewrichten.
Lichamelijk onderzoek
Vitale functies: inspectie, temperatuur, zwelling, kleur (bleek/rood/grauw), fluctuatie, perifere pulsaties, sensibiliteit.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.21.
DD atraumatische extremiteitsklachten
| Hoofdsymptoom | Symptoom | Diagnose | |
|---|---|---|---|
| zwelling | pijnloos | oedeem | hart/lever/nierfalen |
| medicatie | |||
| zwangerschap | |||
| lymfoedeem | |||
| pijnlijk | DVT | ||
| pijn | pijn, pijn, pijn! | compartimentsyndroom | |
| bleekheid | acute perifere arteriële ischemie | ||
| roodheid | fasciitis necroticans | ||
| roodheid | pijn | infectie | cellulitis/erysipelas |
| paronychia/panaritium | |||
| abces | |||
| osteomyelitis | |||
| fasciitis necroticans | |||
| zwelling | DVT | ||
| pijnloos | diabetische voet | ||
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: ontstekingsparameters, D-dimeer, INR, albumine op indicatie.
SEH-behandeling
Pijnstilling: zie verschillende ziektebeelden voor specifieke behandeling.
Opname/ontslag
De meeste patiënten kunnen met gerichte behandeling naar huis. Opname indien intraveneuze antibiotica is geïndiceerd. De meeste patiënten met een DVT kunnen thuis behandeld worden.
2.14 Fluor vaginalis
Presentatie
Anamnese
Kenmerken: jeuk, oppervlakkige pijn, dysurie, begin van de klachten en duur, relatie menses, aspect, kleur en geur van de afscheiding, eerder gehad, eerder behandeld (zelfmedicatie).
Tekenen opstijgende genitale infectie: buikpijn, bekende SOA, diepe dyspareunie, abnormale bloedingen, dysurie, koorts.
Voorgeschiedenis: orale anticonceptie, zwangerschap of post partum, recente abortus of OK, recente medicatie (antibiotica, corticosteroïden), immuungecompromitteerd (DM, hiv).
Lichamelijk onderzoek
Let bij LO op koorts, onderbuikspijn, roodheid vulva, aspect vagina, cervix en fluor met speculum. Cave: lichamelijk onderzoek niet noodzakelijk indien laag risico voor SOA en geen tekenen van een opstijgende infectie.
Risicofactoren SOA
< 25 jaar oud, nieuwe partner of > 1 partner afgelopen jaar, onveilig vrijen, partner uit risicogroep, eerder SOA gehad.
Differentiaaldiagnose
Infectieus (meest voorkomend): bacteriële vaginose, trichomonas infectie (zie ook tabel 2.22), SOA, wormen.
Corpus alienum (tampon), pessarium, fistels (complicatie na OK in kleine bekken of diverticulitis, m. Crohn).
Post-menopauzaal: atrofische vaginitis, carcinomen cervix of endometrium.
Fysiologisch (vruchtbare levensfase).
Tabel 2.22.
Onderscheid tussen de meest voorkomende oorzaken van vaginale fluor n.a.v. bevindingen
| Oorzaak | Bacteriële vaginose | Candida | Trichomoniasis |
|---|---|---|---|
| fluor | dun, riekend | dik en korrelig, niet riekend | weinig tot veel, riekend. |
| geassocieerde symptomen | geen jeuk | jeuk of schrijnen vulva, externe dysurie, oppervlakkige dyspareunie | jeuk vulva, dysurie, lage onderbuikspijn |
| LO | homogene verspreiding vaginawand en vestibulum, geen vulvitis | geen afwijkingen of vulvitis, fissuren, oedeem, satelliet laesies | vulvitis en vaginitis zeldzaam: fel rode cervix/vagina (aardbei vagina) |
| vaginale pH | > 4,5 | < 4,5 | > 4,5 |
| KOH-preparaat | visgeur | (pseudo)hyfen, draden | |
| NaCl 0,9% preparaat | clue cells (vaginaal plaveiselepitheel omgeven door bacteriën) | protozoa met flagellen |
Aanvullend onderzoek
Niet noodzakelijk indien laag risico voor SOA en geen tekenen van een opstijgende infectie.
Preparaten kunnen in principe op SEH verricht worden: vaginale pH-meting (lakmoes), KOH en fysiologisch zout preparaat. Alleen indien er sprake is van: hoog risico SOA, tekenen opstijgende genitale infectie, zwanger, post partum of post abortus, recidief infectie, eerdere behandeling gefaald of comorbiditeit.
Kweken: hoog laterale vaginale wand en endocervicaal materiaal voor kweek en/of PCR (Candida, Chlamydia, Gonorroe, Trichomonas) alleen indien met preparaten niet duidelijk een bacteriële vaginose of Candida wordt aangetoond.
Evt. plakband tape preparaat perianaal voor wormeitjes.
Evt. urine sediment en glucose voor UWI en DM.
Geen duidelijke verwekker aantoonbaar: overweeg andere oorzaak, consult dermatologie/gynaecologie of verdere diagnostiek middels kweek/PCR. Nog niet behandelen, advies geen seksueel contact tot uitslag kweken.
SEH-behandeling algemeen
Corpus alienum en tekenen van sepsis, denk aan Toxisch Shock Syndroom.
Empirische behandeling zonder uitgebreid lichamelijk en aanvullend onderzoek kan plaatsvinden als er sprake is van laag risico voor SOA en geen tekenen van een opstijgende genitale infectie. Behandel empirisch voor candidiasis of bacteriële vaginose. In alle andere gevallen, doe eerst onderzoek.
SEH-behandeling specifieke ziektebeelden
Bacteriële vaginose
Eenmalig metronidazol 2 g PO. Bij onvoldoende effect 2 dd 500 mg voor 7 dagen. Bij zwangerschap eerste trimester: clindamycine 2 dd 300 mg 7 dagen. Partner waarschuwen niet zinvol.
Candidiasis
Eenmalig clotrimazol 500 mg of 1200 mg miconazol vaginale tablet. Heeft na enkele dagen pas effect. Naar HA bij aanhoudende klachten (> 3 dagen na behandeling) of recidief. Partner ook klachten: miconazolcrème 2% 1-2 dd lokaal aanbrengen.
Trichomonas vaginalis
Eenmalig metronidazol 2 g PO. Bij zwangerschap (eerste trimester) clindamycine 2 dd 300 mg 7 dagen. Trichomonas is een SOA, dus de partner mee behandelen ongeacht aanwezigheid klachten. Bij aangetoonde Trichomonas is de aanwezigheid van een andere SOA waarschijnlijk. Dus verder onderzoek inzetten of verwijzen.
2.15 Gewrichtsklachten (niet-traumatisch)gewrichtsklachtenniet-traumatisch
Gewrichtspijn kan een manifestatie zijn van een gewrichtsaandoening, een periarticulaire aandoening of van een systemische ziekte. Periarticulair is er meestal sprake van ontsteking zoals bursitis of tendinitis. Het belangrijkste ziektebeeld om op de SEH te onderscheiden is septische artritis.
Presentatie
Anamnese
Pijn, stijfheid, zwelling en bewegingsbeperking. Let op tijdsbeloop, aantal aangedane gewrichten, distributie en (a)symmetrie. Extra-articulaire manifestaties (huid, oog, algeheel ziekzijn, koorts) en eventuele recente (luchtweg)infecties zijn belangrijk. Medicatiegebruik en voorgeschiedenis.
Lichamelijk onderzoek
Algemeen lichamelijk onderzoek inclusief evaluatie huid en slijmvliezen en vitale parameters. Gewricht(en): aantal, effusie, roodheid, warmte, stand, pijn bij bewegen (actief/passief), range of motion (ROM).
Differentiaaldiagnose
Artritis geeft effusie, pijn bij actief en passief bewegen, en soms standsafwijkingen (tabel 2.23) en eventuele recente (luchtweg)infecties.
Periarticulaire klachten presenteren zich meestal na herhaald klein trauma met lokale pijn, met name bij actieve beweging (tabel 2.24).
Systeemziekten geven vaak koorts en extra-articulaire symptomen (tabel 2.23).
Tabel 2.23.
DD mono- en polyartritis
| Presentatie | Diagnose | Type |
|---|---|---|
| monoartritis | ||
| kinderleeftijd en ouderen, snelprogressieve pijn en soms koorts met koude rillingen. Voorkeurslokalisatie: knieRF: IV drugsgebruik, DM, recente artroscopie/gewrichtsoperatie, gewrichtsprothese | septische artritis | inflammatoir |
| > 40 jaar, man, snelprogressieve pijn, tophiRF: medicatie (diuretica, ciclosporine), hypothyreoïdie, hyperparathyreoïdie. Voorkeurslokalisatie: MTI en knie | (pseudo)jicht | |
| tekenbeet, erythema chronicum migrans, migratoire gewrichtsklachten (m.n. knie), neurologische afwijkingen | ziekte van Lyme | |
| veelal oudere vrouw, acute pijn m.n. mediale femurcondyl. Primair of secundair aan steroïdengebruik, SLE, alcoholisme, sikkelcelziekte, niertransplantatie | osteonecrose/avasculaire necrose | non-inflammatoir |
| meestal > 60 jaar, pijn progressief gedurende de dag, noduli PIP en DIP | osteoartritis | |
| posttraumatisch, coagulopathie (orale antistolling, hemofilie) | haemarthros | |
| koorts en lokale pijn. Risicofactoren: DM, slechte perifere circulatie, sikkelcelziekte, gecompliceerde fractuur of orthopedische OK. | osteomyelitis | |
| gewichtsverlies | maligniteit | |
| polyartritis | ||
| Ochtendstijfheid, symmetrisch m.n. MCP en PIP, soms koorts of myalgie. Extra-articulair: pericarditis, myocarditis, pneumonitis, pleurawrijven, mononeuritis multiplex. | reumatoïde artritis (RA) | inflammatoir |
| 1-5 weken na streptokokkeninfectie (roodvonk): acuut reuma of post-streptokokken reactieve arthritis (m.n. kleine gewrichten hand). | acuut reuma | |
| jongvolwassenen, migratoire gewrichtsklachten m.n. bovenste extremiteiten, tendosynoviitis, vesiculopustuleuze laesies | gonokokkenarthritis | |
| > 40 jaar, man, snelprogressieve pijn, tophi.RF: medicatie (diuretica, ciclosporine), hypothyreoïdie, hyperparathyreoïdie. Voorkeurslokalisatie: MTP 1 en knie | (pseudo)jicht | |
| tekenbeet, erythema chronicum migrans, migratoire gewrichtsklachten (m.n. knie), neurologische afwijkingen. | ziekte van Lyme | |
| huidafwijkingen, asymmetrische artralgie/artritis van m.n. hand, pols, knie, pleuritis, pericarditis, nierinsufficiëntie, anemie, leukopenie, neurologische afwijkingen. | systemische lupus erythematodes (SLE) | |
| trias: arthritis, urethritis en conjunctivitis. Jongvolwassenen, ulceraties orale mucosa, plaques voetzolen en handpalmen, artritis onderste extremiteitenreactief na infectie met Salmonella, Shigella, Yersinia, Campylobacter of Chlamydia. | syndroom van Reiter | |
| pijn zonder rubor/calor/functio laesa. Vaak self-limiting arthritis bij virale aandoeningen. | virale arthritis | |
| vaak jongvolwassenen, ochtendstijfheid, moeheid en algehele malaise, m.n. rug en bekken, langzaam progressief > 3 maanden | spondylitis ankylose (SA) | |
| huidafwijkingen (zilverwitte schilfers op erytheem), putjes in de gelige nagels, artritis | psoriatische artritis (PA) | |
| meestal > 60 jaar, pijn progressief gedurende de dag, noduli PIP en DIP | osteoartritis | non-inflammatoir |
Tabel 2.24.
DD periarticulaire klachten
| Klachten | Diagnose |
|---|---|
|
• zwelling, roodheid, fluctuatie, evt. koorts en cellulitis • bursitis olecrani, infra-/prepatellaris, subacromialis • door repetitief klein trauma bijv. op ellebogen leunen resp. knieën zitten • kan ook infectieus (stafylokokken), primair of secundair |
bursitis • infectieus • aseptisch |
|
• door overbelasting • voorkeurslocaties: bicepspees, achillespees, patellapees, mediale/laterale epicondyl, plantaire fasci • behandeling zie SEH-behandeling (algemeen) |
tendinitis |
| spierzwakte, onvermogen tot heffen arm | rotatorcuffscheur |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: VBB en ontstekingsparameters op indicatie. Soms stolling, ANA’s, bloedkweek.
Beeldvorming: X-gewricht. CT/MRI/botscan op indicatie.
Punctie en aspiratie bursa: gram en kweek. Aspireer zoveel mogelijk vocht, dat geeft verlichting van de pijn.
Gewrichtspunctie: analyse synoviaalvloeistof (tabel 2.25), kristallen, grampreparaat, kweek. Glucose, eiwitgehalte en LDH hebben weinig aanvullende waarde bij bepaling in synoviale vloeistof. Aspireer zoveel mogelijk vocht, dat geeft verlichting van de pijn. Contra-indicaties: aspiratie gewricht bij (verdenking) hemofilie of bij overliggende huidinfectie.
Tabel 2.25.
Evaluatie van synoviaalvloeistof
| Normaal | Non-inflammatoir | Inflammatoir | Septisch | |
|---|---|---|---|---|
| helderheid | transparant | transparant | troebel | troebel |
| kleur | kleurloos | geel | geel | geel |
| leukocyten (μl-1) | < 200 | < 200-2000 | 200-50000 | > 50000 (LR 7,7 > 100.000 LR 28.0) |
| polymorfe leukocyten (%) | < 25 | < 25 | > 50 | > 50 |
| kweek | negatief | negatief | negatief | > 50% positief |
| kristallen | geen | geen | multipele of geen | geen |
| mogelijke aandoeningen | periarticulair | osteoartritis, trauma, acuut reuma | (pseudo)jicht, SA, reiter, RA, PA, lyme, SLE | non-gonokokken of gonokokken septische artritis |
SEH-behandeling (algemeen)
Pijnstilling met NSAID.
Rust, belasten op geleide van de pijn.
Immobilisatie z.n. bij tendinitis. Bij schouderklachten maximaal 1 week.
Drukverband bij bursitis.
Koelen (aantal maal per dag).
Consulteer laagdrempelig (orthopedisch) chirurg of reumatoloog, ook voor follow-up. Follow-up van periarticulaire aandoeningen kan ook door de huisarts.
Opname/ontslag
Elke patiënt met (verdenking op) septische artritis dient opgenomen te worden. Overweeg opname voor patiënten met systemische symptomen en/of ernstige pijn.
SEH-behandeling specifieke ziektebeelden
Acuut reuma (zie ook tabel 2.26)
Tabel 2.26.
Jones criteria voor acuut reuma
| Aanwijzing recente GAS-infectie + 2 major of 1 major + 2 minor criteria | |
| major criteria | minor criteria |
|
• carditis • polyartritis • chorea • erythema marginatum • subcutane noduli |
• arthralgieën • koorts • verhoogde BSE of CRP • verlengde PQ tijd op ECG |
| Aanwijzingen recente infectie met Groep-A-streptokokken (GAS) | |
|
• positieve keelkweek of snelle antigeen test voor Groep-A-streptokokken • verhoogde streptokokken antilichaam titer | |
Anamnese: post-infectieus (Streptokokken).
Aanvullend onderzoek: ECG, echocardiografie, AST, anti-DNAse B, bloedkweken, keelkweken.
SEH-behandeling: Salicylaten, NSAID’s, corticosteroïden (allen niet bewezen). Bij chorea: depakine of carbamazepine. Belangrijk is voorkómen complicaties door streptokokken faryngitis met antibiotica te behandelen.
Bursitis
Aanvullend onderzoek: punctie bursa toont pus in geval van (primair of secundair) infectieuze bursitis, als sereus vocht dan aseptische bursitis.
-
SEH-behandeling:
- Infectieus: antibiotica volgens protocol (bijv. flucloxacilline 4 dd 1 g PO), bij abcesvorming dan (ICC chirurgie voor) incisie en drainage. Als zieke of immuungecompromitteerde patiënt dan opname en IV AB.
- Aseptisch: zie algemene SEH-behandeling.
Gonokokkenartritis
Aanvullend onderzoek: gewrichtspunctie, kweken bloed/farynx/cervix/urethra/rectum.
SEH-behandeling: volgens lokaal protocol, bijvoorbeeld ceftriaxon 2 g IV, opname, 48 uur na klinische verbetering zo mogelijk ontslag met ciprofloxacine 2 dd 500 mg PO (totale duur 7-10 dagen).
(Pseudo)jicht
Onderscheid tussen de vormen van kristallopathie op type kristallen, niet van belang op SEH.
Aanvullend onderzoek: urinezuur niet op SEH (tot 30% normale spiegel op moment van jichtaanval). Bij verdenking septische artritis gewrichtspunctie: kristallen.
SEH-behandeling: NSAID’s (indomethacine 3 dd 50 mg gedurende 1 week). Evt. colchicine (binnen 24 na start klachten) 1 mg PO oplaaddosis, gevolgd door 0,5 mg elke twee uur tot effect (of maag-darmklachten), maximaal 5 mg/dag. Geen opname.
Rotatorcuffscheur
Aanvullend onderzoek: echo, (poliklinische) MRI.
SEH-behandeling: zie algemene behandeling gewrichtsklachten. Full thickness scheur: ICC chirurgie/orthopedie voor indicatie chirurgisch ingrijpen.
Septische artritis
Van de patiënten met septische artritis heeft slechts de helft koorts. (Non-gonokokken) septische artritis is een spoedgeval, aangezien een gewricht binnen enkele uren irreversibel beschadigd kan raken. Sinds vaccinatie tegen Hib wordt deze minder vaak gezien als verwekker van septische artritis bij jonge kinderen. (Zie ook tabel 2.27).
-
Aanvullend onderzoek:
- Bloedonderzoek: BSE > 30 positieve likelyhood ratio (+LR) 1,3; leukocyten > 10 +LR 1,4; CRP > 100 +LR 1,6, bloedkweken (bij kinderen 40% en bij volwassenen 23% positief).
- Gewrichtspunctie.
SEH-behandeling: antibiotica volgens lokaal protocol IV 14 dagen, hierna 14 dagen PO (tabel 2.27). Opname. ICC orthopedie voor chirurgische drainage.
Tabel 2.27.
Verwekkers en therapie septische artritis
| Patiënt/aandoeningen | Verwekkers | Gram | Antibiotica volgens protocol, bijvoorbeeld |
|---|---|---|---|
| kinderen en volwassenen | onbekend | flucloxacilline 4 dd 1 g + gentamicine 1 dd 4 mg/kg IV | |
| stafylokokken | pos | flucloxacilline 4 dd 1 g IV | |
| streptokokken | pos | penicilline G 4 dd 1 milj E IV | |
| n. gonorrhoeae | neg | ceftriaxon 1 dd 2 g IV | |
| neonaten en zuigelingen (hib-vaccinatiestatus niet bekend of < 6 maanden) | h. influenzae b | neg | ceftriaxon 1 dd 2 g IV |
| IV-drugsgebruiker | o.a. stafylokokken | pos | flucloxacilline 4 dd 1 g + gentamicine 1 dd 4 mg/kg IV |
| MRSA als verwekker | vancomycine (ICC infectioloog/microbioloog) | ||
| sikkelcelpatiënt | salmonella | neg | ceftriaxon 1 dd 2 g IV |
| gewrichtsprothese, DM | denk ook aan anaerobe verwekkers | flucloxacilline 4 dd 1 g + gentamicine 1 dd 4 mg/kg + metronidazol 3 dd 500 mg | |
2.16 Hematurie
Hematurie kan een (toevals)bevinding zijn bij urinesediment (microscopische hematurie) of is op zichzelf de reden om te komen (macroscopische hematurie), met of zonder andere klachten.
Presentatie
Anamnese
Voorgeschiedenis, medicatie, dysurie, buikpijn, koorts, malaise, trauma, rode bieten gegeten, reizen, OK.
Differentiaaldiagnose
Rode verkleuring urine: vrij Hb, myoglobuline, eten van bieten, porfyrie, rifampicine, cyclofosfamide.
Algemeen: antistolling, hemofilie, maligne hypertensie, sikkelcelziekte.
Urinewegen: stenen, infecties (bacterieel, parasitair zoals schistosomiasis), neoplasmata, vaat malformaties, trauma (katheterisatie).
Auto-immuun of immuungeïnduceerde ziekte: Ig A nefropathie, Henoch-Schonlein, poststreptokokkenglomerulonefritis.
Aanvullend onderzoek
Urinesediment heeft bij macroscopische hematurie vaak geen zin.
Bloedonderzoek: bloedgroep en kruisbloed bij hevig bloedverlies. Verder op indicatie: Hb, HbS%, nierfuncties, INR bij antistolling.
Urinekweek en bloedkweek op indicatie.
Overweeg echo nieren/IVP bij stenen en mogelijke obstructie.
SEH-behandeling
Bij hevige bloedingen en/of hemodynamische instabiliteit vullen met NaCl 0,9%, z.n. transfusie, zo mogelijk antistolling couperen, 3-lumen spoelkatheter bij hematurie met stolselvorming.
Opname/ontslag
Opname voor patiënt die instabiel (geweest) is, hevig bloedverlies waarvoor spoelkatheter noodzakelijk is, obstructie urinewegen, zwangeren, nieuwe diagnose glomerulonefritis met complicaties (bijv. nierfunctiestoornis).
Verwijzing eerste lijn voor pijnloze hematurie < 40 j, uroloog voor > 40 j met risicofactoren maligniteit, internist voor alle patiënten met hematurie en proteïnurie.
2.17 Hemoptoëhemoptoë
Het opgeven van bloed afkomstig uit de tractus respiratorius. Massale hemoptoë is 100 tot 1000 ml per 24 uur.
Presentatie
Bloed of bloederig sputum, dyspnoe en hypoxie. Hypotensie alleen bij massale hemoptoë of t.g.v. onderliggende oorzaak (bijv. massale LE). Richt je op de onderliggende oorzaak: die bepaalt het klinische beeld. Risicofactoren voor longkanker: > 40 jaar, man, roken.
Oorzaken
Neoplasme: bronchuscarcinoom.
Infectieus: tuberculose, aspergilloma, pneumonie, bronchitis, longabces.
Inflammatoir: bronchiëctasie.
Cardiovasculair: LE, hartfalen, arteriotracheobronchiale fistel bij aneurysma thoracale aorta.
Systeemziekten: ziekte van Wegener, SLE.
Hematologisch: trombopenie, erfelijke stollingsziekten, anticoagulantiagebruik.
Traumatisch: bronchusruptuur, corpus alienum, iatrogeen.
Differentiaaldiagnose
Niet-pulmonale bron van bloedverlies zoals vanuit KNO gebied (epistaxis) of haematemesis.
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: VBB, kruisbloed, CRP, Na, K, creatinine, ureum, bloedgas, stolling, leverenzymen. Vervolgen Hb.
Sputumonderzoek. Gram preparaat en Ziehl-Neelsen (tbc). Banale kweek, mycobacteriën (PCR) en schimmels. Cytologie bij verdenking maligniteit/risicofactoren.
ECG op indicatie (cardiovasculaire oorzaak).
-
Beeldvorming:
- X-thorax (pneumonie, tbc, RIP).
- CT thorax kan bloedingsfocus laten zien en/of aanwijzingen voor onderliggend lijden.
Bronchoscopie speelt zowel een rol in de diagnostiek als therapie.
Angiografie speelt zowel een rol in de diagnostiek als therapie (embolisatie).
SEH-behandeling
Bij aankondiging massale hemoptoë bestel erytrocytenconcentraat, en waarschuw IC en longarts.
Zuurstof, monitoring, IV toegang.
A: bij bedreigde luchtweg: luchtweg management inclusief overwegen vroege intubatie met grootst mogelijke doorsnede enkellumentube (om evt. bronchoscopie te faciliteren).
B: positionering controversieel. Als locatie bloeding bekend is, plaats de patiënt met de aangedane long naar beneden. Bij zeer heftig bloedverlies, overweeg Trendelenburg positie voor betere drainage. Meestal is intubatie dan ook geïndiceerd.
C: vullen, zo nodig transfunderen. Corrigeer stollingsproblemen: overweeg Cofact bij anticoagulantia gebruik (tabel 2.79). Overweeg tranexaminezuur (Cyklokapron ®) 1 gram langzaam IV. Trombocytenconcentraat bij trombopenie.
Bronchoscopie met lokale interventie (tamponnade indien focus bekend). Indien bronchoscopie niet mogelijk/afdoende/gelukt: angiografie met embolisatie.
Z.n. ICC KNO om focus hogere luchtwegen uit te sluiten.
Tabel 2.79.
Bekkenfracturen
| Letsel | SEH-behandeling | Plan |
|---|---|---|
| HD instabiel bij bekkenletsel | vloeistofresuscitatie, transfusie, sluitlaken/T Pod |
• ICC (trauma)chirurg en interventieradioloog • vaak operatieve behandeling, evt. tijdelijk fixateur externe (C-clamp) |
| geïsoleerde letsels rami superior en/of inferior | pijnbestrijding | mobiliseren o.g.v. klachten, ontslag, poliklinische controle |
| geïsoleerde # ala os ili | ||
| laterale compressieletsels met geringe dislocatie en intacte ligamentaire structuren | pijnbestrijding |
• ICC orthopedie/traumachirurgie • vaak conservatief |
| symfysiolyse < 2,5 cm | ||
| andere bekkenletsels | overweeg sluitlaken/T Pod, pijnbestrijding | operatieve behandeling |
Opname/ontslag
De instabiele patiënt wordt opgenomen op de IC.
Stabiele patiënt met afwijkende X-thorax (ook een maat voor het bloedverlies), geobjectiveerd hevig bloedverlies of gedaald Hb observatie afdeling/MC. De grootste groep kan verder poliklinisch geëvalueerd worden.
2.18 Hoofdpijnhoofdpijn
Hoofdpijn kan secundair zijn aan veel diagnoses, waaronder ernstige en levensbedreigende aandoeningen. Meestal echter is er sprake van primaire hoofdpijn, die vooral pijnstilling behoeft. Op de spoedeisende Hulp is het van belang dit onderscheid te maken. Bij secundaire hoofdpijn is een consult neurologie meestal geïndiceerd.
Presentatie
Anamnese
Besteed bij de anamnese aandacht aan:
optreden: begin, duur, locatie, eerder, trauma capitis, zwangerschap;
begeleidende symptomen: aura, braken, neurologische uitval, persoonlijkheidsverandering;
middelengebruik: pijnstillers (ook zonder recept), cafeïne, zwangerschap;
familieanamnese (m.n. migraine, SAB).
Lichamelijk onderzoek
Aandacht besteden aan tensie, temperatuur, bewustzijn, nekstijfheid en neurologische uitval.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.28.
DD hoofdpijn
| Symptomen | Duur aanval | Diagnose |
|---|---|---|
| Drukkende, knellende, meestal tweezijdige hoofdpijn zonder misselijkheid of braken. Meestal geen licht- of geluidsovergevoeligheid, pijn is gering/matig, verergert niet bij inspanning. | minuten-dagen | (spier)spanningshoofdpijn/chronische dagelijkse hoofdpijn, medicatie afhankelijke hoofdpijn |
| Recidiverende aanvallen van matige tot heftige, meestal eenzijdige, bonzende hoofdpijn met misselijkheid en/of braken, soms een aura, verergert bij lichamelijke activiteit, overgevoeligheid voor licht en geluid. Soms familiair. | 4-72 uur | migraine |
| Aanvalsgewijze, hevig bonzende of stekende, eenzijdige hoofdpijn rondom het oog of temporaal, met bewegingsdrang, ptosis, miosis, tranen. | clusters van veel aanvallen die 15-180 minuten duren, gedurende enkele weken | clusterhoofdpijn |
| Bij meningitis, arteriitis temporalis, SAB, hersentumor, maligne hypertensie, middelengebruik (pijnstillers, ergotamine, cafeïne), (pre-)eclampsie, sinusitis. | wisselend | secundaire hoofdpijn |
Tabel 2.29.
Alarmsymptomen hoofdpijn
| Symptomen | Kan passen bij |
|---|---|
| nieuwe hoofdpijn boven 50 jaar | hersentumor, arteriitis temporalis |
| hoofdpijn onder de leeftijd van 6 jaar | hersentumor, hydrocephalus |
| ouderen met pijn temporaal/occipitaal | arteriitis temporalis |
| zwangerschap en nieuwe hoofdpijn | pre-eclampsie |
| progressieve hoofdpijn na een ongeval | sub/epiduraal hematoom |
| heftige hoofdpijn met een zeer hoge bloeddruk | hypertensieve crisis |
| acuut ontstane, zeer heftige pijn | subarachnoïdale bloeding, meningitis, CVA |
| hoofdpijn met koorts (en soms gedaald bewustzijn) | meningitis |
| nekstijfheid en/of neurologische afwijkingen | meningitis, hemorragisch CVA |
| positieve familieanamnese hersenbloeding | SAB |
| eerste migraineaanval boven 40 jaar, (ochtend)braken, braken niet gerelateerd aan hoofdpijn, persoonlijkheidsveranderingen en/of achteruitgang schoolprestaties, migraine aura steeds aan dezelfde kant, focale neurologische afwijkingen | hersentumor |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: VBB, BSE, CRP, kweek bij verdenking infectie, stollingsstatus bij verdenking intracraniële bloeding of indicatie LP.
Urine: zwangerschapstest.
Liquoronderzoek bij verdenking meningitis of SAB (eerst CT ter uitsluiting dreigende inklemming).
CT: bij verdenking tumor, intracraniële bloeding, CVA of hydrocephalus.
SEH-Behandeling
Wees bij patiënten met neurologische problemen bedacht op ABC-problematiek. Een gedaald bewustzijn kan de ademweg of de ademhaling bedreigen.
Bij primaire vormen van hoofdpijn in eerste instantie pijnstilling met paracetamol (of NSAID als bloeding uitgesloten is). Bij misselijkheid en braken eventueel metoclopramide 10-20 mg supp of IV.
Bij clusterhoofdpijn kan 100% zuurstof geprobeerd worden.
Bij migraine of clusterhoofdpijn die niet reageert op paracetamol of NSAID biedt sumatriptan 20 mg intranasaal of 6 mg SC soms uitkomst. Triptanen zijn gecontra-indiceerd bij patiënten met coronairlijden, omdat ze coronairspasmen kunnen provoceren.
Secundaire hoofdpijn: in geval van intracraniële pathologie consult neurologie. Voor behandeling specifieke oorzaken zie desbetreffende hoofdstukken.
Opname/ontslag
Patiënten met primaire hoofdpijn, hoofdpijn op basis van middelengebruik, en met KNO-klachten kunnen over het algemeen met pijnstilling en adviezen naar huis ontslagen worden. Patiënten met de novo migraine/clusterhoofdpijn poliklinisch consult neurologie.
Overige patiënten zullen over het algemeen worden opgenomen voor behandeling.
2.19 Huidafwijkingenhuidafwijkingen
Presentatie
Anamnese
Duur, beloop, pijn, jeuk, koorts, algemeen ziekzijn, (recente wijzigingen in) medicatie, tekenbeet, gewrichtspijn, buitenlandbezoek, opname ziekenhuis buitenland, beroep (risico op MRSA), verminderde afweer?
Tabel 2.30.
DD jeuk
| Etiologie | Oorzaken |
|---|---|
| huidaandoeningen | urticaria, eczeem, zonneallergie, herpes simplex, pityriasis rosea, varicella, droge huid |
| systemisch | nierinsufficiëntie, HD, icterus, endocrien, maligniteit, anemie, zwangerschap, geneesmiddelen, psychisch, uremie, diabetes |
| parasitair/infectieus | luis, scabies, mycose, insectenbeet |
Lichamelijk onderzoek
Algemeen lichamelijk onderzoek met vitale parameters. Inspectie van de hele huid en slijmvliezen. Nikolskyteken = bij wrijven huid naast een laesie schuift stratum corneum los van onderlaag.
Figuur 2.2.

Stroomschema DD Huidafwijkingen
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.31.
DD naar efflorescentie
| Laesie | Opmerking | Differentiaaldiagnose |
|---|---|---|
| 1. vesicobulleus | helder vocht |
• varicella • herpes zoster • Stevens Johnson Syndrome • toxische epidermale necrolyse • stafylococcal scalded skin syndrome • pemphigus vulgaris • eczema herpeticum |
| pustuleus |
• folliculitis • candidiasis • impetigo |
|
| bloederig | • fasciitis necroticans | |
| 2. non-erythemateus | meestal niet relevant voor SEH | • melanoom, carcinoom, Mollusca contagiosa, naevus, dermatofibroom, wrat, pityriasis rosea, etc. |
| 3. maculeus | wegdrukbaar |
• viraal exantheem • roodvonk • lymeborreliose |
| purpura/petechiae |
• meningokokkose • Henoch-Schönlein • idiopathische trombocytopene purpura (ITP) |
|
| 4. (maculo)papuleus |
• erythema multiforme • erythema nodosum • Henoch-Schönlein • urticariae • folliculitis/furunkel/furunculose |
|
| 5. eczemateus |
• eczeem • contact dermatitis • impetigo • tinea |
|
| 6. diffuus erythemateus |
• stafylococcal scalded skin syndrome • toxic shock syndrome • necrotiserende fasciitis • gasgangreen • ziekte van Kawasaki • systemische lupus erythematodes • erytrodermie |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: VBB, elektrolyten, nier- en leverfuncties. Serologisch onderzoek bij verdenking ziekte van Lyme of secundaire syfilis.
(Bloed)kweken bij een zieke patiënt met koorts. Bij verdenking op MRSA en indicatie voor antibiotische behandeling kweek huidlaesie, neus- en keelslijmvlies en perineum.
Overweeg huidbiopt bij meningokokkose, sensitiviteit is 72%.
SEH-behandeling
Stabilisatie vitale functies:
pijn- en/of jeukbestrijding;
op indicatie consult dermatoloog of kinderarts;
zie verder specifiek ziektebeeld.
Opname/ontslag
Opname-indicatie bestaat in principe voor alle patiënten met een ernstige huidaandoening, of die systemisch ziek zijn.
Specifieke ziektebeelden
Eczema herpeticum
Initieel heldere, later pustuleuze vesikels overgaand in crustae. Met koorts en algehele malaise, soms. Oorzaak: herpes-simplexinfectie bij pre-existent constitutioneel eczeem.
SEH-behandeling: volgens lokaal protocol of valaciclovir 3 dd 1000 mg voor 5 dagen. Bij symptomen ogen (keratitis dendritica): consult oogarts, aciclovir oogzalf 5 dd. Behandel eventuele secundaire bacteriële infecties gericht. Ernstigere gevallen: opname in isolatie aciclovir IV.
Erythema Multiforme (EM)
Typische schietschijflaesies met name op extremiteiten, handpalmen en voetzolen, < 10% TLO, in EM major ook laesies slijmvliezen. Géén loslating epidermis.
Oorzaken: post-infectieus herpesvirus of M. pneumoniae, of medicatiegerelateerd.
SEH-behandeling: anti-infectieuze therapie, evt. staken uitlokkende medicatie. Verder symptoombestrijding, geen bewijs voor corticosteroïden. Bij betrokkenheid ogen ICC oogarts. Goede prognose, episode duurt ongeveer 1 maand. Revisie poli dermatologie of huisarts.
Fasciitis necroticans /gasgangreen
Snel progressieve, zeer pijnlijke wekedeleninfectie met oedeem, ecchymosen, (hemorragische) bullae, subcutaan emfyseem (gasgangreen). Soms weinig huidverschijnselen of nare geur (bij anaeroben). Daarbij koorts, ziek, septische shock.
Aanvullend onderzoek: VBB, chemie, lactaat, CPK/myoglobine, stolling, urinesediment (myoglobine), bloedkweken, oppervlakkige kweken niet erg zinvol, eventueel X-foto, echo; CT: subcutaan gas (niet sensitief, wel specifiek), diep biopt.
SEH-behandeling: stabilisatie (O2, z.n. intubatie en beademing, vullen, z.n. inotropica), antibiotica volgens lokaal protocol (bijv. penicilline 6 dd 2 milj EH IV + clindamycine 3 dd 600 mg IV + evt. aminoglycoside 1 dd IV), Spoed ICC chirurgie voor operatieve behandeling. IC-indicatie.
Folliculitis /furunkel /karbunkel /furunculosis
Oppervlakkige pustels en papels met een rode rand en een centrale haar. Korstvorming, abcesvorming (furunkel). Vaak na lokale huidbeschadiging (scheren), infectieus (o.a. Staph. aureus). Furunculosis als gedissemineerd. Karbunkel bij groepje furunkels dicht naast elkaar.
SEH-behandeling: lokale en handhygiëne, fucidincrème 3 dd dun aanbrengen. Bij abces incisie en drainage. Bij koorts, furunkel neus/bovenlip of furunculosis: flucloxacilline 4 dd 500 mg PO voor 7 dagen.
Henoch Schönlein purpura
Rash begint maculopapuleus, later palpabele purpura benen en billen. Verder koorts, artritis, buikpijn (cave invaginatie). Complicaties: GI-bloedingen, nefritis met hematurie. Voornamelijk kinderen tussen 2-8 jaar na BLWI, ook volwassenen.
SEH-behandeling: geen evidence voor corticosteroïden, sommige clinici behandelen op geleide van de symptomen met prednison 0,5-1 mg/kg. Prognose goed.
Herpes zoster (gordelroos )
Gegroepeerde hevig pijnlijke blaasjes. Unilaterale dermatomale distributie, m.n. romp, hals, schouder, arm. Complicaties: pneumonie, betrokkenheid hersenzenuwen (n. facialis, n. trigeminus), keratitis. Ouderen, immunogecompromitteerden. Verwekker: Varicella Zoster Virus (VZV).
Behandeling alleen geïndiceerd indien 1 of meer van de volgende symptomen: locatie trigeminusgebied, ernstige pijn, prodromale pijn > 1 week voor ontstaan huidafwijking, herpes zoster oticus of leeftijd > 50 jaar. Therapie volgens lokaal protocol of valaciclovir 5 dd 1000 mg PO voor 7 dagen.
HSV
Besmettelijke pijnlijke gegroepeerde vesikels, branderig gevoel. Slijmvlieslaesies, genitale laesies, cornea laesies, paronychia. Verder koorts, malaise, myalgie, hoofdpijn. Complicatie: encefalitis.
Aanvullend onderzoek: serologie, PCR, Tzank (= aspiratie vocht uit vesikel, daarna blaardak verwijderen en bodem ulcus afschrapen met steriel mesje).
SEH-behandeling: effect lokale (over-the-counter) antivirale middelen beperkt, probeer lokaal lidocaïne 5% in zinkoxidesmeersel FNA- of EMLA-crème. Vermijd contact met pasgeborenen, patiënten met gestoorde afweer of atopisch eczeem. Immunogecompromitteerde patiënten: valaciclovir 2 dd 1000 mg PO, indien ernstig ziek aciclovir 3 dd 5-10 mg/kg IV 5-10 dagen. Bij herpes simplex keratitis aciclovir oogzalf 5 dd + tabletten 5 dd 200 mg 5-10 dagen + ICC oogarts.
Idiopathische trombocytopenische purpura (ITP)
Niet-palpabele purpura. Snel blauwe plekken, epistaxis, tandvleesbloedingen, menorragie. Zelden GI-bloedingen, hematurie of intracraniële bloedingen. Vaak postinfectieus, maar kan chronisch worden (vaak).
Aanvullend onderzoek: trombopenie, stollingsstudies zijn normaal.
SEH-behandeling: trombocytentransfusie indien trombocyten < 5-10x109 of indien bloeding. Verder beleid (opname, corticosteroïden, immunoglobulinen) in overleg met hematologie.
Impetigo (krentenbaard )
Pustulaire laesies met honinggele crustae. Bij kinderen vooral rond neus en mond. Soms koorts en diarree. Verwekkers: hemolytische streptokokken (m.n. groep A) en/of S. aureus (met toenemende resistentie tegen Fusidinezuur).
SEH-behandeling: kinderen thuis houden, goede lokale en handhygiëne, reinigen met zeep en water, korsten verwijderen, Fucidincrème 3 dd dun aanbrengen. In ernstigere gevallen antibiotica volgens protocol (bijv. flucloxacilline 3 dd 500 mg PO voor 7 dagen).
Medicatiereactie (dermatitis medicamentosa )
Geneesmiddelen kunnen nagenoeg elke efflorescentie nabootsen. Een aantal patronen komt het meest voor: maculeus, maculopapuleus exantheem, enantheem, urticaria, angio-oedeem, fixed drug eruption, leukocytoclastische vasculitis.
SEH-behandeling : staak of vervang het verdachte middel (een reactie kan nog 1-2 maanden aanhouden!). Zo nodig symptomatisch behandelen: cetirizine 1 dd 10 mg PO, triamcinoloncrème 0,1% lokaal.
Pemphigus vulgaris
Blaren mondslijmvlies, hierna gehele lichaam. Niet jeukend, wel pijnlijk na ruptureren. Nikolskyteken positief. Ouderen, positieve familieanamnese.
SEH-behandeling: prednison 1 mg/kg/dd PO of IV tot remissie. Indien niet te ziek, weinig laesies poliklinische behandeling, anders opname en rehydreren (cave elektrolyten). Episode duurt maanden.
Staphylococcal Scalded Skin Syndrome (SSSS)
Pijnlijk diffuus erytheem, 2e dag exfoliatie/grote bullae, Nikolsky-teken positief. Slijmvliezen niet aangedaan. Verder koorts en algehele malaise. Vaker bij kinderen.
Aanvullend onderzoek: biopt, wondkweken, bloedkweken.
SEH-behandeling: pijnstilling, antibiotica volgens protocol (bijv. flucloxacilline 3 dd 500 mg PO/IV). Als grote oppervlakten dan opname voor rehydratie.
Stevens Johnson Syndrome /Toxische Epidermale Necrolyse (SJS/TEN)
Atypische pijnlijke schietschijflaesies romp en orofarynx met blaarvorming. SJS < 10%, TEN > 30% TLO. Nikolsky-teken positief. Vaak prodroom met koorts en keelpijn, kans op respiratoire insufficiëntie en hypotensie.
Oorzaak: medicatiegerelateerd.
SEH-behandeling: stabiliseren, opname z.n. brandwondencentrum, stop uitlokkende medicatie, pijnstilling, lidocaïnegel bij orale laesies, steroïden omstreden (prednisolon 40-60 mg PO). Consult oogarts. Hoge mortaliteit m.n. TEN.
Tinea
-
(Jeukende) dermatomycose van huid, haren of nagels:
- Tinea capitis: schilferende, grijs-witte of rode laesies met afgebroken haren. Korstvorming, soms infiltraten/abcedering. Vooral bij kinderen.
- Tinea barbae: ronde, rode, schilferende plekken met losse haarstompjes en pustels baardgebied, soms abcederende infiltraten.
- Tinea corporis (ringworm): aan gelaat, hals, romp en extremiteiten, centrifugaal uitbreidende scherp begrensde roodheid met schilfering. Aan de randen activiteit en centraal genezing.
- Tinea pedis: rode, schilferende plekken met blaasjes en pustels voetzool, voetrand, interdigitaal (m.n. 4e en 5e teen).
SEH-behandeling: adviezen (vermijd warmte, vocht en wrijving; katoenen ondergoed of sokken; dagelijks schone kleding, badslippers, huisdier evt. laten behandelen door dierenarts). Medicamenteus beleid: oppervlakkige dermatomycose lokale behandeling met miconazolcrème 1-2 dd 2-6 weken, diepe dermatomycose systemische behandeling terbinafine 1 dd 250 mg 4 weken.
Toxisch Shock Syndroom ([S]TSS)
Hoge koorts, niet-jeukende erytrodermie met vervelling inclusief handpalmen en voetzolen, slijmvliezen aangedaan, ernstige weke-deleninfecties. Ook hypotensie, sepsis, MOF, ARDS. Bij chirurgische wond, lokale huidlaesies, empyeem, infect KNO-gebied, osteomyelitis, tampon. Oorzaak toxines stafylokokken of groep A streptokokken.
Aanvullend onderzoek: VBB, chemie, lactaat, CPK/myoglobine, stolling, urinesediment (myoglobine), bloedkweken, wondkweken, bloedgas, beeldvorming op indicatie, diep biopt.
SEH-behandeling: stabilisatie (O2, z.n. intubatie en beademing, vullen, z.n. inotropica), antibiotica volgens protocol (bijv. flucloxacilline 6 dd 1 g IV + clindamycine 3 dd 600 mg IV), verwijder focus (tampon, neustampon, wonddebridement), eventueel immunoglobulines. ICC intensivist, infectioloog, chirurgie bij wonden/abcessen/osteomyelitis/wekedeleninfecties.
Urticaria (netelroos , galbulten )
Duidelijk begrensde, grillig gevormde verhevenheden, jeukend, rood verkleurd en omgeven door erytheem. Snel ontstaan en snel verdwenen. Cave luchtwegobstructie bij angio-oedeem. Oorzaken: geneesmiddelen, allergie, infectieziekten, hitte, familiaire koude-urticaria, hereditair angio-oedeem. Veelal echter idiopathisch.
-
SEH-behandeling:
- indien A bedreigd: adrenaline 0,3-0,5 mg (= 0,3-0,5 ml 1:1000) IM of 5 mg vernevelen (5 ml 1:1000), clemastine 2 mg IV, ranitidine 50 mg IV, corticosteroïden (zie lokaal protocol).
- indien bekend met C1-esteraseremmerdeficiëntie acute behandeling angio-oedeem: cetor 1000 EH IV.
Varicellainfectie (waterpokken )
Jeukende blaasjes in allerlei stadia (papel, vesikel, crusta) op de romp en het behaarde hoofd. Daarbij koorts en griepachtig beeld met hoesten. Complicaties: superinfectie, varicella-pneumonie (bij volwassenen). Verwekker: Varicella Zoster Virus (VZV), druppelinfectie.
Behandeling alleen geïndiceerd bij immuungecomprommiteerde patiënten, neonaten of zwangeren. Therapie volgens lokaal protocol of valaciclovir 5 dd 1000 mg PO voor 7 dagen. Verpleging in isolatie.
2.20 Hyperthermie
Hyperthermie is een verhoogde kerntemperatuur (> 38 °C) als gevolg van falende thermoregulatie en niet hetzelfde als koorts. Koorts wordt veroorzaakt door het effect van inflammatoire cytokines op het set point van de lichaamstemperatuur in de hypothalamus. Van ernstige hyperthermie is sprake bij een temperatuur boven de 40 °C. Bij lichaamstemperatuur boven 42 °C kan multiorgaanfalen ontstaan door falende enzymwerking.
Presentatie
Anamnese
Omgevingstemperatuur, inspanning (werk/sport), medicatie (neuroleptica, anti-emetica, lithium, salicylaten, anticholinergica, SSRI, succinylcholine, halothaan, sympathicomimetica), drugs (alcohol, amfetamine, ecstasy, ketamine).
Symptomen: spierkrampen, collaps, hoofdpijn, nausea, braken, transpiratie, malaise, insulten.
Lichamelijk onderzoek
Tachypnoe, crepitaties, tachycardie, hyper/hypotensie, hydratiestatus, bewustzijnsdaling, rigiditeit, haematomen.
Oorzaken ernstige hyperthermie (> 40 °C)
Zonnesteek (verblijf/inspanning in warme, vochtige omgeving).
Maligne-neurolepticasyndroom (ontstaat meestal < 14 dagen na start gebruik neuroleptica of anti-emetica).
Serotoninesyndroom (bij gebruik SSRI, ontstaat meestal < 14 dagen na start of ophoging van dosering, geeft ook hyperreflexie, ataxie, myoklonie en rillen).
Maligne hyperthermie (ontstaat < 10 uur na gebruik halothaan of succinylcholine, vaak ernstig).
Maligne catatonie (vaak enkele weken prodrome van psychosen en agitatie).
Dopamine-onttrekkingssyndroom (bij stoppen gebruik L-dopa in parkinsonisme).
Differentiaaldiagnose
Intoxicaties.
Thyreotoxicose.
Acute porfyrie.
Neurologisch: status epilepticus (CVA).
Infecties m.n. sepsis, meningitis, encefalitis, tetanus.
Onttrekking alcohol, sedativa/hypnotica.
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: metabole acidose/respiratoire alkalose, leukocytose, hypo Na/Ca/Mg, hyper Na/K/P, verhoging creat/ureum/CK/transaminases, hypoglykemie, stolling, toxicologie z.n.
Urineonderzoek: myoglobine, proteïne.
ECG: ritmestoornissen, geleidingsstoornissen, tekenen ischemie/infarct, aspecifieke ST-T-afwijkingen.
-
Beeldvorming:
- X-thorax: stuwing, ARDS.
- CT-cerebrum/LP: ter uitsluiting cerebrale pathologie.
SEH-behandeling
ABC (vermijd zo mogelijk gebruik vasoconstrictoren als adrenaline en hoge dosis dopamine).
Vullen: met 0,9% NaCl. In geval van hypernatriëmie langzame correctie serumnatrium.
Continue monitoring kerntemperatuur.
Snelle koeling tot 39,5 °C: verwijderen kleding, sproeien met lauw water of (handen)alcohol, ventilatoren. Evt. diazepam 5 mg IV om agitatie of rillen (geeft warmteproductie) tegen te gaan. Koude infusen, koeldekens, ijspakkingen in liezen, nek en oksels kunnen daaraan worden toegevoegd.
Stop uitlokkend medicament.
Maligne hyperthermie: dantroleen 2 mg/kg IV herhalen tot maximaal 10 mg/kg/24 uur.
Opname/ontslag
Milde zonnesteek: ontslag naar huis met adviezen: koele omgeving, verwijder kleding, rust, ORS/isotone orale rehydratie.
Ernstige hyperthermie: opname op intensive care.
2.21 Hypothermie
Hypothermie bestaat bij een kerntemperatuur van minder dan 35 °C. Van ernstige hypothermie wordt gesproken bij een temperatuur onder de 30 °C, matige hypothermie van 30-32 °C en lichte hypothermie van 32-35 °C. Bij een daling van de lichaamstemperatuur daalt de cardiac output en de ventilatiefrequentie, maar ook de O2-consumptie/CO2-productie van de weefsels. Voor een deel heft dit elkaar op, zodat er altijd een kans op (restloze) overleving bestaat. Hier geldt dus het adagium: ‘een patiënt is pas echt dood als hij warm (> 32-35 °C) en dood is’. Verminderde orgaanperfusie leidt uiteindelijk tot neurologische symptomen en multiorgaanfalen. Voor een kerntemperatuur van minder dan 23 °C zijn echter geen overlevenden beschreven.
Presentatie
Anamnese
Omgevingstemperatuur, intoxicaties, comorbiditeit, infecties, trauma, medicatie.
Lichamelijk onderzoek
Hypoventilatie, oppervlakkige ademhaling, tachycardie/bradycardie, bewustzijnsdaling, non-reactieve pupillen, afwezige reflexen, rillen, neurologische uitval, aanwijzingen voor trauma.
Oorzaken hypothermie
Primair: lage omgevingstemperatuur.
Secundair (falende thermoregulatie): intoxicaties, diabetes mellitus, hypothyreoïdie, sepsis.
Aanvullend onderzoek
ECG: atrium/ventrikelfibrilleren, Osborne J-golf, QT-verlenging.
Bloedonderzoek: hoog Hb/Ht, leukopenie, trombopenie, hypo/hyperglykemie, hypo/hyperkaliëmie, nierfunctiestoornissen, hoog amylase, hoog lactaat.
Bloedgas: metabole alkalose/acidose.
Evt. Doppler voor bepalen aanwezigheid pulsaties (moeilijk palpabel bij hypothermie).
Op indicatie X-traumaserie, CT-cerebrum (uitsluiten CVA, trauma als oorzaak of gevolg).
SEH-behandeling
A: er is weinig evidence voor het optreden van VF door intubatie zelf.
B: gebruik bij beademing zo mogelijk verwarmde lucht (40-46 °C), cave overventilatie en respiratoire alkalose bij verminderde O2-behoefte. Monitor met CO2-meting.
C: bij ernstige hypothermie resistentie geneesmiddelen en shocks. Bij VF driemaal defibrilleren, als dit niet succesvol is wachten tot de patiënt warmer is dan 30 °C. Medicatie pas toedienen boven 30 °C, en dan met dubbele tussenpozen ter voorkoming toxiciteit. Rewarming shock ontstaat door optreden vasodilatatie bij opwarmen en behoeft voornamelijk vulling.
Opwarmen: bij milde hypothermie is voorkomen van verdere afkoeling door uittrekken natte kleding en een warme deken voldoende. Bij ernstige hypothermie moeten actieve (warmtedeken/matras) en evt. invasieve methoden (infuusverwarming, spoelen maag/peritoneum/unilateraal pleuraholte, cardiopulmonaire bypass) worden overwogen. Zgn. afterdrop (= aanvankelijk doordalen kerntemperatuur tijdens opwarmen) heeft geen klinische relevantie.
Zuur-/basecorrectie volgens alfa-statmethode: houdt pH (ongecorrigeerd voor temperatuur) op 7,4.
Correctie hyperglykemie: onder 32 °C insulineresistentie, let bij insulinetherapie op hypoglykemie door overcorrectie bij opwarmen.
Opname/ontslag
Milde hypothermie wordt opgenomen. Ernstige hypothermie wordt op IC geplaatst.
Cave
Speciale lage temperatuur thermometer noodzakelijk, gebruik oesophageale of rectale probe.
Saturatiemeter onbetrouwbaar bij hypothermie.
Stollingsstoornissen zijn wel aanwezig maar niet in het lab meetbaar, het bloed wordt namelijk opgewarmd tot 37 °C voordat de stollingstests worden verricht.
Pancreatitis en DIS kunnen complicaties zijn van hypothermie.
2.22 Insult, kind
Convulsies: algemene benadering.
Presentatie
Gegeneraliseerde aanvallen
Bewustzijnsverlies met trekkingen (kunnen subtiel zijn!). Kunnen gepaard gaan met tongbeet en incontinentie voor urine, gevolgd door een post ictale fase. In deze fase verbetert het bewustzijn van coma tot wekbaar, al is de patiënt meestal slaperig.
Status epilepticus
> 30 minuten durende aanval of opeenvolgende aanvallen zonder tussentijds bewustzijnsherstel. Mortaliteit van 4% t.g.v. obstructie van de luchtweg, over medicatie of onderliggende oorzaak.
Anamnese
Specifiek: koortsend ziektebeeld, recent trauma, bekend met epilepsie en medicatie hiervoor? Is een intoxicatie mogelijk?
Lichamelijk onderzoek
Volg de ABCD-systematiek. Specifiek: tijdens convulsie heeft AVPU bepalen weinig zin. Pupilgrootte kan aanwijzing zijn voor een intoxicatie. Tekenen van ICP↑? Nekstijf? Petechiën/purpura? Koorts?
Bedside glucose!
Differentiaaldiagnose
Epilepsie met eventuele therapieontrouw.
Infectieus: Meningitis, malaria, koortsstuip (zie later).
Metabole ontregeling, bijv. hypo- of hyperglykemie.
Intracraniële pathologie, bijv. tumoren, ICP↑ (hypertensie) of na trauma (epiduraal, SAB, subduraal).
Intoxicatie, onthoudingsverschijnsel.
Algehele cerebrale hypoxie t.g.v. circulatoir of respiratoire insufficiëntie.
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: glucose. Op indicatie: VBB, CRP, Na, K, Ca, Mg, nierfuncties, leverfuncties, spijtserum. Bloedgas, medicatiespiegels.
Urineonderzoek: sediment en urinekweek.
Bloedkweken.
Op indicatie: LP en CT schedel.
SEH-behandeling
Resuscitatie volgens ABCDE van het ernstig zieke kind.
Behandel daarbij het insult simultaan met ABC, niet uitstellen tot IV/IO toegang verkregen is, zie figuur 2.3.
Figuur 2.3.

Behandeling van convulsies bij insult van een kind
Doseringen anticonvulsieve middelen (alfabetisch)
Diazepam rectiole 0,5 mg/kg (< 6 mnd 2,5 mg, 6 mnd tot 3 jr 5 mg, > 3 jr 10 mg), 0,25 mg/kg IV/IO. Werking 40-60 minuten. Goede rectale absorptie. Cave ademhalingsdepressie.
Fenytoïne oplaaddosis 20 mg/kg in 20 minuten IV. Herhaal dosis 10 mg/kg in 15 minuten. Maximale oplosconcentratie 10 mg/ml. Continu ECG en bloeddruk monitoring. Cave hypotensie, ritmestoornissen. CI: bij chronisch fenytoïnegebruik, wacht op spiegel alvorens extra fenytoïne te geven.
Lorazepam 0,1 mg/kg PO/in wangzak/IV. Idem als midazolam echter herhaaldosis na 10 i.p.v. 5 minuten. Rectaal slechte absorptie.
Midazolam 0,2-0,5 mg/kg rectaal of in wangzak. 0,1 mg/kg als bolus IV/IO. Continu infuus 0,1 mg/kg/uur. Bij onvoldoende effect: geef bolus opnieuw en dan 0,1 mg/kg/uur ophogen. Maximaal 1 mg/kg/uur. Als alternatief voor diazepam in schema, minder ademhalingsdepressie.
Opname/ontslag
Ontslag bij een typische koortsstuip (zie hierna) of herkenbaar verloop aanval bij bekende epilepsie met goed herstel en zonder verder ziek te zijn.
Opname bij elke andere situatie met
Vochtintake 50-60% van normale behoefte in 0,45% NaCl en 2,5% glucose.
Monitor: ECG, pols, bloeddruk, SpO2, urineproductie. Cave ademhalingsdepressie en hypotensie t.g.v. medicatie.
Laboratoriumonderzoek (indien nog niet afgenomen); zoek daarbij naar mogelijke oorzaken.
Standaard EEG aanvragen i.o.m. kinderarts.
Specifiek ziektebeeld
Koortsstuip
Zie tabel 2.32. Een derde van de patiënten krijgt een recidief koortsstuip binnen 2 jaar. Kinderen met meerdere atypische koortsstuipen hebben een hogere kans op het ontwikkelen van epilepsie.
Tabel 2.32.
Koortsstuip
| Typische koortsstuip | Atypische koortsstuip |
|---|---|
|
• koortsende ziekte • geen focale neurologische uitval • eenmalig in koortsperiode • voorkeursleeftijd 6 mnd-4 jr |
• bij relatief lage temperatuur • focale neurologische uitval • meerdere aanvallen in 1 koortsperiode • < 6 mnd of > 4 jr |
-
SEH-behandeling
- Indien langer dan 5 minuten aanhoudend: zie behandeling convulsie (figuur 2.3).
- Paracetamol niet toepassen of op vaste tijden om wisselingen in temperatuur zoveel mogelijk te voorkomen.
- Schrijf diazepam rectiole voor om mogelijk recidief te couperen, als deze langer dan 5 minuten duurt.
-
Opname/ontslag:
- Opname: bij aanvallen zonder vlot herstel postictaal, recidief atypische aanvallen.
- Ontslag: bij eerste aanval (typisch en atypisch) en vlot herstel postictaal. Met anamnese en standaard LO zoeken naar evt. evidente focus voor (bacteriële) infectie en deze z.n. behandelen. Geen verdere analyse noodzakelijk mits er geen focale uitval is. Ook bij meerdere typische aanvallen in principe geen nadere analyse noodzakelijk. Richtlijn voor ouders bij recidief: rectiole geven als aanval > 5 minuten duurt. 112 bellen als 10 minuten na toedienen diazepam de trekkingen niet gestopt zijn.
2.23 Insult, volwassene
Partieel insult : gedrags, sensore of focale motorische symptomen met evt. verminderd bewustzijn maar zonder bewustzijnsverlies. Kan overgaan in een gegeneraliseerd insult.
Gegeneraliseerd insultinsultgegeneraliseerd: meestal tonisch klonisch insult (korte tonische fase, waarna trekkingen van armen en benen) met bewustzijnsverlies soms laterale tongbeet en urine-incontinentie).
Absenceabsence: non-convulsief insult met bewustzijnsverlies, m.n. bij kinderen.
Status epilepticus : insult langer dan 30 minuten of meerdere insulten zonder tussentijds terugkeer van bewustzijn.
Postictale fasepostictale fase: een periode van minuten tot uren na een gegeneraliseerd insult met verwardheid, moeheid, hoofdpijn en spierpijn.
Presentatie
Anamnese
Bij de anamnese aandacht besteden aan gebruik van anti-epileptica en therapietrouw, zwangerschap en trauma capitis. Precipiterende factoren: emoties, inspanning, luide muziek, flitslichten, koorts, slaapdeprivatie, alcoholonthouding, stress en toxinen.
Lichamelijk onderzoek
Bij het lichamelijk onderzoek aandacht besteden aan nekstijfheid, hoofdletsel (Battle’s sign), focale neurologische symptomen, bij vrouwen onderzoek van de buik (zwanger?)
Differentiaaldiagnose
Staken anti-epileptische medicatie (cave therapieontrouw).
Intoxicatie/onttrekking van alcohol, medicatie of drugs.
Acute metabole stoornissen: hypo- of hyperglykemie, hyper- of hyponatriëmie, hypomagnesiëmie, hypocalciëmie, uremie.
Cerebrale schade: trauma, herseninfarct, hersenbloeding, cerebrale infecties, cerebrale hypoxie, hypertensieve encefalopathie, ruimte innemend proces, eerdere chirurgie.
Overig: eclampsie, koortsconvulsie (kinderen), psychogeen, syncope.
Aanvullend onderzoek
Patiënt met bekende epilepsie: glucose en evt. therapiecontrole.
-
Eerste insult volwassene:
- Bloedonderzoek: glucose, elektrolyten (incl. calcium en magnesium), creatinine, ureum, leverfuncties. Spijtbuis voor toxicologie.
- Zwangerschapstest (alle vrouwen in vruchtbare leeftijd).
- LP (bij verdenking infectie/bloeding).
- CT-cerebrum (bij focale uitval, persisterend bewustzijnsverlies, verdenking vasculaire/traumatische/infectieuze oorzaak).
- EEG bij postictaal coma.
SEH-behandeling
A, B: verminderd bewustzijn kan de ademweg of de ademhaling bedreigen. O2 en zo nodig luchtwegmanoeuvres, postictaal stabiele zijligging. Bij verdenking trauma: CWK immobilisatie.
D:
Persisterend insult (zie lokaal protocol): midazolam 5-10 mg IV of diazepam 10 mg IV of rectaal (als geen infuus), z.n. 1 maal herhalen.
Refractair insult: fenytoïne opladen 15-20 mg/kg (langzaam, max 50 mg/min ouderen 30 mg/min, cave hypotensie en ritmestoornissen). Als patiënt al fenytoïne gebruikt, oplaaddosis halveren. Als geen effect ICC anesthesie voor sedatie en verslapping.
Zwangerschap: 4-6 g magnesiumsulfaat IV, daarna pomp 1-2 g/uur, spoed ICC gynaecologie.
Alcoholabusus: thiamine 500 mg IM/IV.
Hypoglykemie: glucose 40% 50 ml IV
Eerste insult volwassene: ICC neurologie
Opname/ontslag
Patiënten met bekende epilepsie kunnen ontslagen worden zodra het bewustzijn helder is.
Bij patiënten met een eerste insult het vervolg overlaten aan de neuroloog. Patiënten met een status epilepticus of onderliggende afwijkingen zullen meestal worden opgenomen.
Cave
Overgang convulsieve status in non-convulsieve status kan moeilijk te diagnosticeren zijn. EEG dan noodzakelijk.
2.24 Keelpijn
Doorgaans betreft het een milde, self-limiting aandoening. In zeldzame gevallen kan er een levensbedreigende complicatie optreden zoals bedreigde luchtweg of uitgebreide infectie in de hals.
GABHS (Groep A Bètahemolytische Streptokok) is de belangrijkste bacteriële verwekker van faryngitis en tonsillitis. GABHS is de veroorzaker van enkele zeer zeldzame maar ernstige post-streptokokkencomplicaties als acuut reuma en glomerulonefritis.
Presentatie
Anamnese
Duur en beloop van de klachten, koorts, verergering van de pijn, algemeen ziekzijn. Hoesten (past in combinatie met keelpijn meestal bij een milde virale ontsteking). Ernstige slikklachten of problemen met het openen van de mond (kan passen bij peritonsillair infiltraat of abces ). Let erop dat keelpijn bij jonge kinderen zich kan uiten in prikkelbaarheid, nachtelijke onrust en bij zuigelingen in niet (of weinig) drinken.
Lichamelijk onderzoek
Tekenen van (potentieel) bedreigde luchtweg: dysfonie/afonie, trismus, kwijlen, stridor, dyspnoe. Beoordeel verder: temperatuur en overige vitale parameters, trismus, hydratietoestand, lymfklieren hals, exsudaat (beslag, pus) op tonsillen of farynxwand, uvula, huid (ruw roze exantheem kan passen bij roodvonk).
Differentiaaldiagnose
Faryngitis (viraal/bacterieel).
Tonsillitis (viraal/bacterieel).
Peritonsillair infiltraat/abces : verplaatsing van de tonsil naar mediaal en de uvula naar de niet-aangedane zijde.
Mononucleosis infectiosa (EBV) : exsudaat op beide tonsillen, meestal in combinatie met pijnlijke en fors vergrote klieren in de gehele halsregio.
Retrofaryngeaal abces .
Epiglottitis: toxisch ziek, koorts, kwijlen, stridor, voorovergebogen houding, intrekkingen, angst.
Difterie : koorts, malaise, hoofdpijn, keelpijn, grijs-witte membraan in de keel.
Ludwig’s angina : ernstige infectie van de mondbodem, vaak geassocieerd met carieus gebit.
Thyreoïditis: koorts, gezwollen en/of pijnlijke schildklier.
Maligniteiten.
Aanvullend onderzoek
Laboratoriumonderzoek is niet routinematig geïndiceerd. Bij (verdenking op) een immuunstoornis zoals agranulocytose (bijv. bij gebruik van thyreostatica of cytostatica): bloedbeeld en differentiatie. Bij verdenking op EBV is het inzetten van serologie in de eerste ziekteweek niet zinvol.
SEH-behandeling
A/B: beoordeel of er tekenen zijn van een (potentieel) bedreigde luchtweg. Geef 100% zuurstof en voorkom onnodig prikkelen van de patiënt. Laat de patiënt zelf de meest comfortabele houding kiezen. Doorgaans is dit (half-)zittend. Anticipeer een moeilijke intubatie en consulteer laagdrempelig met spoed een anesthesist en/of KNO-arts. Houd een cricothyroïdotomieset bij de hand.
C: zorg voor intraveneuze toegangsweg en geef ruim NaCl 0,9% aan de toxisch zieke of gedehydreerde patiënt.
ICC KNO bij verdenking op peritonsillair of retrofaryngeaal abces.
Opname/ontslag
Opname
Opname is noodzakelijk bij alle patiënten met een (potentieel) bedreigde ademweg en bij toxisch zieke of ernstig gedehydreerde patiënten.
Ontslag
Als de patiënt niet in een van de bovengenoemde categorieën valt, kan hij naar huis ontslagen worden.
Bij patiënten met een tonsillitis hangt de keus of er antibiotisch behandeld wordt af van de ernst van het klinische beeld (aanwezigheid van koorts, matig tot ernstig ziekzijn, ernst slikklachten) en of er een verhoogd risico op complicaties bestaat (acuut reuma in de voorgeschiedenis, sterk verminderde weerstand). Kies voor een smalspectrumpenicilline zoals feneticilline, voor 7-10 dagen (volwassenen 3 dd 500 mg, kinderen jonger dan 2 jaar 3 dd 62,5 mg, kinderen van 2-10 jaar 3 dd 125 mg). Eventueel ook aan volwassenen met hevige slikklachten de antibiotica in vloeibare vorm voorschrijven!
Bij overgevoeligheid voor penicilline kan azitromycine of erytromycine worden voorgeschreven.
Geef pijnstillingsadviezen, paracetamol eventueel gecombineerd met een NSAID. Wijs patiënt op de mogelijkheid van dispergeerbare tabletten of poeders.
Cave
Het gebruik van amoxicilline kan bij een EBV-infectie leiden tot een rode vlekkerige huiduitslag.
Waarschuw patiënten met een EBV-infectie voor het risico op een miltruptuur (geen contactsporten, retour SEH bij buikpijn).
2.25 Koorts en sepsis, kind
Het kind met koorts (T > 38 °C) is een veel voorkomende presentatie op de SEH. Het overgrote deel zal een virale (doorgaans self-limiting) infectie hebben. Doel van de evaluatie op de SEH is om het kleine deel (potentieel levensbedreigende) bacteriële infecties op te sporen en sepsis tijdig te onderkennen.
Presentatie
Eerste beoordeling en resuscitatie volgens ABCDE van het ernstig zieke kind.
Anamnese
Specifiek: duur van het koortsend beeld, beloop, lokaliserende symptomen, (recente?) vaccinaties, recente reizen, al gebruikte medicatie.
Lichamelijk onderzoek
Wees bedacht op sepsis als een infectie waarschijnlijk is en temperatuur > 38,5 °C of < 35 °C en tachycardie (kan afwezig zijn bij hypothermie, let op normaalwaarden naar leeftijd) en minimaal één van de volgende signalen van veranderde orgaanfunctie: veranderde mentale status, hypoxemie. Het kind heeft dan geen ‘onschuldige’ infectie meer tot het tegendeel bewezen is.
Kijk naar lokaliserende symptomen. Kijk een kind altijd helemaal na, inclusief KNO-gebied: datgene wat in het oog springt als symptoom, hoeft niet de focus te zijn! Zo kunnen buikpijn en braken door een otitis media en bovenbuikpijn door een lobaire pneumonie veroorzaakt worden.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.33.
DD naar lokaliserende symptomen bij koorts
| Symptoom | Mogelijke infectie |
|---|---|
| convulsies/verminderd bewustzijnnekstijfheid, fotofobie, hoofdpijn | meningitis/encefalitis |
| klachten/afwijkingen hoofd/hals gebied | otitis media, tonsillitis, faryngitis, mastoïditis, retrofaryngeaal abces |
| cyanose/dyspnoestridor | bronchiolitis/pneumonie/pleura-empyeemtracheïtis |
| bleke, grauwe huid, slechte perifere circulatie | septische shock, hypovolemische shock (gastro-enteritis, er hoeft nog geen diarree te zijn!) |
| (nieuwe) souffle/pericard wrijven | endocarditis, pericarditis, acuut reuma |
| icterisch | hepatitis, leverfalen bij sepsis |
| buikklachten |
• appendicitis, cystitis, pyelonefritis, gastro-enteritis • cave KNO focus, pulmonaal |
| (bloederige) diarree |
• gastro-enteritis • bij bloed invasieve gastro-enteritis bijv. salmonella, parasieten |
| mictieklachten, hematurie | cystitis, pyelonefritis |
| petechiën/purpura | meningokokkensepsis, dengue |
| functio laesiae extremiteitrode, gezwollen gewrichten |
• osteomyelitis/artritis • acuut reuma (indien migratoire artralgieën, combinatie met souffle hart) |
DD naar lokaliserende symptomen bij koorts, zie tabel 2.34.
Postvaccinatiekoorts.
Bij duur > 2 weken: tbc, malaria, tyfus, auto-immuunziekten (Kawasaki, SLE), maligniteit (leukemie).
Tabel 2.34.
Aanvullend onderzoek bij negatieve sepsiscriteria, geen focus
| < 3 maanden | 3-12 maanden | 12-36 maandenhoog risico** | 12-36 maandenlaag risico * | |
|---|---|---|---|---|
| hematologie | + | + | + | - |
| urine | + | + | + | + |
| X-thorax | + | overweeg | overweeg | - |
| bloedkweek | + | overweeg bij opname | overweeg bij opname | - |
| liquor | + | overweeg | overweeg | - |
*Laag risico: niet acuut ziek, drinkt goed, geen chronische ziekte, voorheen gezond.**Hoog risico indien niet aan criteria ‘laag risico’ voldaan wordt.
Aanvullend onderzoek
Bij positieve sepsiscriteria/ziek kind mag diagnostiek geen vertraging opleveren in de behandeling!
Verdenking sepsis, duidelijke focus: Hb, Ht, leuco, trombo, CRP, glucose, Na, K, creatinine, bilirubine, ASAT, lactaat, bloedkweek (bij voorkeur voor toedienen AB). Op indicatie: urinesediment + kweek, X-thorax, LP.
Verdenking sepsis zonder duidelijk focus: alle bovenstaande onderzoeken, LP op indicatie (< 3 maanden, geen focus bij urinesed/X-thorax gevonden).
Geen sepsisverdenking zonder duidelijke focus en < 36 maanden oud: zie tabel 2.34.
Geen sepsisverdenking zonder duidelijke focus > 36 maanden oud: urinesediment.
Geen sepsisverdenking en een duidelijke focus: alleen op indicatie.
SEH-behandeling
Bij kinderen < 1 jaar laagdrempelig kinderarts consulteren.
Z.n. resuscitatie volgens ABCD van het ernstig zieke kind.
Bepaal noodzaak antibiotica (figuur 2.4).
Figuur 2.4.

Wel of geen antibiotica bij een kind met koorts
Keuze antibiotica. Volg de (lokale) antibioticarichtlijnen, afgestemd op de (vermoedelijke) focus (tabel 2.35). Vaak is het veroorzakende organisme niet bekend en zal op grond van leeftijd en vermoedelijke focus empirisch worden behandeld. Zie tabel 2.36.
Tabel 2.35.
Mogelijke behandeling bij bekende focus, onbekende verwekker
| Focus | Antibioticum |
|---|---|
| otitis media acuta (OMA) |
aanvankelijk geen AB, wel indien: • ernstig ziek kind of risicofactoren voor complicaties* overweeg bij• < 2 jaar en dubbelzijdige OMA • bij eerste presentatie otorroe • na 3 dagen geen verbetering amoxicilline, tweede keus azitromycine bij allergie amoxicilline |
| keelinfectie |
AB bij • algemeen ziek zijn en/of peritonsillair infiltraat en/of abcederende lymfadenitis (7 dagen) • acuut reuma in VG of immuun ↓ (10 dagen) of in gesloten gemeenschap met aangetoonde streptokokkenepidemie feneticilline 7-10 dagen of bij allergie azitromycine 3 dagen |
| LWI | amoxicilline |
| UWI** | amoxicilline/clavulaanzuur, tweede keus co-trimoxazol |
* risicofactoren: < 6 mnd, anatomische afwijkingen KNO gebied, oor OK in VG, immuunstoornis
** nadere diagnostiek bij ♀ ≤ 4 jaar of 5-12 jaar met pyelonefritis of > 1 UWI, bij ♂ < 12 jaar.
Tabel 2.36.
Mogelijke empirische behandeling met antibiotica naar leeftijd bij onbekende focus
| Leeftijd | Antibioticum |
|---|---|
| alle, bij verdenking anaeroben (tractus digestivus) | overweeg metronidazol toe te voegen aan onderstaande |
| 0-30 dagen | amoxicilline + gentamicine |
| > 30 dagen | ceftriaxon |
Doseringen antibiotica
Amoxicilline IV < 1 maand: 2 dd 50 mg/kg. Ouder dan 1 maand: 4 dd 25-50 mg/kg. Aanpassen dosering bij nierfunctiestoornissen. PO 7-10 dagen. Mild: > 4 weken oud: 50 mg/kg/dag PO in 3 doses, max per dag 4 g PO. Bij > 10 jaar: 3 dd 375-500 mg/dag PO.
Amoxicilline/clavulaanzuur (Augmentin ®) SWAB < 1 week 75/7,5 mg/kgIV in 3 doses. > 1 week 100/10 mg/kg in 4 dosis, max 6000/600 per dag PO. NHG standaard UWI 0-2 jaar 40/5 mg/kg in 3 giften, 2-7 jaar 3 dd 125/31,25 mg, 7-12 jaar 3 dd 250/62,5 mg, > 12 jaar 3 dd 500/125 mg.
Azitromycine NHG otitis media 1 dd (max 500 mg) 20 mg/kg PO.
Ceftriaxon (Rocephin ®) IV > 4 weken oud 1 dd 100 mg/kg. Max 1 dd 4000 mg.
Co-Trimoxazol (bactrimel/bactrim ®) NHG standaard UWI 0-12 jaar 2 dd 18 mg/kg, > 12 jaar 2 dd 960 mg PO.
Feneticilline (Broxil ®) NHG standaard acute keelpijn < 2 jaar 3 dd 125 mg, 2-10 jaar 3 dd 250 mg, > 10 jaar 3 dd 500 mg PO.
Gentamicine eenmalige dosis IV in 30 minuten geven. < 1 maand: 4 mg/kg. Bij prematuur eerste week 3,5 mg/kg. 1 mnd- 10 jaar: 7 mg/kg. > 10 jaar 5 mg/kg. Cave toxisch gehoor/nieren.
Metronidazol ervan uitgaand dat een kind in thuissituatie > 2 kg is. < 1 week: 2d 7,5 mg/kg. 1-4 weken: 8,5 mg/kg. > 1 maand: 3 dd 10 mg/kg en max 4 gr/dag IV.
Opname/ontslag
Opname
< 1 maand oud: behandelen IV AB.
Positieve sepsiscriteria: behandelen IV AB.
Geen sepsis, geen focus maar hoog risico na aanvullend onderzoek (figuur 2.4): observatie, AB overwegen.
Gastro-enteritis: in principe geen AB, opname bij dehydratie/elektrolytstoornissen.
Ontslag
> 1 maand oud, geen sepsis, focus bekend → behandelen AB, vervolgen huisarts of op indicatie kinderarts.
> 1 maand oud, laag risico na aanvullend onderzoek (figuur 2.4) → expectatief, dagelijks controle huisarts bij jonger dan 3 maanden, anders zo nodig. Bij verslechtering retour.
> 12 maanden, laag risico bij anamnese en LO (tabel 2.35) en normaal urinesediment → expectatief, controle huisarts. Bij verslechtering retour.
2.26 Koorts en sepsis, volwassene
Koorts wordt veroorzaakt door het effect van inflammatoire cytokines op de set point van de lichaamstemperatuur in de hypothalamus. Oorzaken van koorts kunnen infectieus of niet-infectieus (hyperthyreoïdie, systeemziekten, SAB) zijn.
Hyperthermie is het gevolg van een disbalans tussen warmteproductie en afkoelingsmechanismen.
Sepsis, zie tabel 2.37.
Tabel 2.37.
Criteria sepsis
| Sepsis = vermoede of bewezen infectie met minimaal twee van de volgende criteria | |
|---|---|
| temperatuur | koorts > 38,3 °C of hypothermie < 36 °C |
| hart | frequentie > 90 slagen per minuut |
| ademhaling | ademfrequentie > 20/minuut of PaCO2 < 32 mmHg |
| glucose | hyperglykemie > 7,7 mmol/l in afwezigheid diabetes |
| leukocytengetal | leukocytose > 12,0 x 10^9 /l of leukopenie < 4,0 x 10^9/l |
| differentiatie leukocyten | > 10% immature vormen |
Ernstige sepsis , zie tabel 2.38.
Tabel 2.38.
Criteria ernstige sepsis
| Ernstige sepsis = sepsis met hypotensie (vóór toediening vochtbolus) en/of lactaat > 4 mmol/l en/of orgaandisfunctie | |
|---|---|
| bewustzijn | verminderd |
| hemodynamiek |
• arteriële hypotensie (systolische bloeddruk < 90 mmHg of > 40 mmHg daling tov normaal bekende systolische bloeddruk), of • MAP < 70 mmHg |
| respiratoir | SpO2 < 90% zonder zuurstof, O2-behoefte |
| renaal |
• acute oligurie of • creatinine > 175 mmol/l of > 50% stijging van het basisniveau bij chronisch nierfalen |
| stolling |
• trombocyten < 100 x 10^6 /l, en/of • INR > 1,5, of • aPPT > 60 seconden |
| lever |
• bilirubine > 35 mmol/l, of • ASAT/ALAT > 2 keer de bovenste normaalwaarde |
| weefselperfusie |
• lactaat > 2 mmol/l, • capillary refill > 3 sec • marmering van de huid |
Septische shock = ernstige sepsis met hypotensie niet reagerend op vochtbolus kristalloïd 20-40 ml/kg in 30 minuten of equivalent colloïd (gelofusine 500 ml) IV.
Presentatie
Koude rilling, focusgerelateerde symptomen, comorbiditeit (sikkelcelanemie, transplantatie), medicatiegebruik, immuungecompromitteerd (chemotherapie, hiv, maligniteit, alcohol of drugs abusus, hartfalen, DM, langdurig steroïden gebruik), buitenlandse reizen < 1 maand. Community of hospital acquired (verpleeghuis, recent < 30 dagen geleden ontslagen uit ziekenhuis, of > 3 dagen opgenomen in het ziekenhuis) infectie?
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.39.
DD obv focusonderzoek bij koorts
| Onderzoek | DD |
|---|---|
| CAD, centrale/perifere lijn | lijnsepsis |
| nekstijfheid | meningitis, retrofaryngeaal abces |
| HH-onderzoek | otitis, mastoïditis, faryngitis, tonsillitis, sinusitis, epiglottitis, mondbodem/retrofaryngeaal/peritonsillair abces |
| pulmonale klachten | pneumonie, pleuritis |
| auscultatie hart | pericarditis, endocarditis |
| icterus | hepatitis, leverfalen bij sepsis |
| buikpijn | acute buik, pyelonefritis, UWI, diverticulitis, appendicitis, colitis, hepatitis, cholangitis, gastro-enteritis |
| urogenitale klachten | prostatitis, UWI, pelvic inflammatory disease |
| huid | viraal exantheem, petechiën (meningitis, dengue), cellulitis/erysipelas, fasciitis necroticans, DVT |
| gewrichten | septische arthritis, bursitis |
Aanvullend onderzoek
Afhankelijk van de mate van ziekzijn en het al of niet aanwezig zijn van een duidelijke focus. Bij een mild beeld met bekende focus is verder onderzoek niet nodig. Bij immuungecompromitteerde patiënten meer onderzoek, want klinisch beeld geeft vaak onderschatting van de ernst. Bij ziek terug uit de (sub)tropen, zie bij koorts.
Bloedonderzoek: VBB, leuko diff, CRP, glucose, elektrolyten, lever- en nierfuncties, lactaat, bloedgas, stolling.
Overig: urinesediment, kweken bloed/urine/sputum, X-thorax.
Op indicatie: LP, punctie bij artritis/bursitis, echo buik of cor (endocarditis), CT.
SEH-behandeling
Ernstige sepsis/septische shock
A & B: altijd zuurstof geven. Overweeg vroegtijdige intubatie bij persisterende hypotensie of dreigend respiratoir falen.
C: bij hypotensie kristalloïden 20 ml/kg bolus of in 30 minuten.
Indien onvoldoende resultaat vullen inotropica overwegen (zie tabel 2.40), start eventueel met bolus fenylefrine 100 μg (1 ml van oplossing 1 mg/10 ml) IV of adrenaline 100 μg (1 ml van 1:10.000 oplossing), z.n. herhalen.
-
Refractaire hypotensie en/of lactaat > 4 mmol/l, indicatie voor Early Goal Directed Therapy:
Tabel 2.40.
Inotropicadosering bij septische shock
| Middel | Dosering | |
|---|---|---|
| 1e keus | noradrenaline | 1-20 mcg/min |
Gebruik lokale protocollen voor oplossingen en pompstanden. Vaak gebruikt is: Noradrenaline 6 mg in 50 ml 5% dextrose of 0,9% NaCl en dan op een snelheid van 0,5-10 ml/uur (komt overeen met 1-20 mcg/min). Noradrenaline kan tijdelijk over een perifere lijn toegediend worden, de concentratie moet dan gehalveerd worden (3 mg in 50 ml).
Tabel 2.41.
Mogelijke empirische behandeling met antibiotica bij septische patiënten op de SEH
| Verwekker en bron onbekend | |
| geen neutropenie | cefuroxim 3 dd 1500 mg IV + (gentamicine 1 dd 5 mg /kg IV) + metronidazol 3 dd 500 mg IV |
| neutropeen | ceftazidim 3 dd 2000 mg IV (+ vancomycine 2 dd 1000 mg IV, bij > 100 kg 2 dd 1500 mg IV) |
| Verwekker onbekend en bron waarschijnlijk | |
| fasciitis necroticans verdenking | penicilline 6 dd 2 milj E + gentamicine 1 dd 5 mg/kg IV + clindamycine 3 dd 600 mg IVgangreen van Fournier: i.p.v. clindamycine, metronidazol 3 dd 500 mg IVstreptokok pyogenes: penicilline en clindamycine IV |
| gastro-intestinaal | cefuroxim 3 dd 1500 mg IV + metronidazol 3 dd 500 mg IV (+ gentamicine 1 dd 5 mg/kg IV) |
| intravasculaire katheter | vancomycine 2 dd 1000 mg IV (bij > 100 kg 2 dd 1500 mg IV)* |
| inwendige genitalia | co-amoxyclav 4 dd 1000/200 mg IV (+ gentamicine 1 dd 5 mg/kg IV) |
| luchtwegen CAP | penicilline 6 dd 1 milj E IV + ciprofloxacine 2 dd 400 mg IV |
| luchtwegen HAP | co-amoxyclav 4 dd 1000/200 mg IV (+ gentamycine 1 dd 5 mg/kg IV) |
| urinewegen | cefuroxim 3 dd 1500 mg IV (+ gentamycine 1 dd 5 mg/kg IV) |
| weke delen, huid, arteriële ulcera, gangreen etc | cefuroxim 3 dd 1500 mg IV + gentamycine 1 dd 5 mg/kg IV + metronidazol 3 dd 500 mg IV |
* Antibiotica alleen als lijn niet verwijderd kan worden en/of neutropene patiënt en/of kweken niet afgewacht kunnen worden.
Opname/ontslag
Opname
Septische shock of lactaat > 4 mmol/l. Opname IC.
Ernstige sepsis. Afhankelijk van aard van het ziektebeeld en/of reactie op eerste behandeling op SEH, op de gewone afdeling met frequente controles of Medium Care / IC setting.
Infectie met mogelijk luchtwegprobleem, meningitis, peritonitis of noodzaak chirurgische ingreep of andere ziekenhuis faciliteiten (bijv. zuurstof bij pneumonie met hypoxie, infuus bij pyelonefritis en blijvend braken).
Kans op snelle verslechtering van mild ziektebeeld. Bijv. immuungecompromitteerde patiënt met beginnende pneumonie. Ouderen (> 65 jaar) met T > 39 ºC.
Ontslag
Geen criteria sepsis:
Niet-zieke patiënt zonder een potentieel ernstige aandoening: symptomatische behandeling met bijv. paracetamol 3 dd 1000 mg en zo nodig revaluatie.
Focus bekend of waarschijnlijk: zie desbetreffende hoofdstukken.
2.27 Koorts, post partum
Differentiaaldiagnose
Endometritis
Mastitis
Stuwing mammae
DVT
Niet-zwangerschapgerelateerde ziekten (UWI, BLWI)
Endometritis
Derde-vierde dag post partum koorts, riekende lochia, niet goed involuerende uterus. Ernstig beeld bij uitbreiding naar tubae en peritoneum: hoge koorts, buikpijn, pijnlijke uterus, diffuse peritonitis, sepsis.
Aanvullend onderzoek: bij ernstige infecties afname VBB, BK, urinekweken, sediment en vaginale kweken.
SEH-behandeling: ergometrine 2 dd 0,3 mg PO. Bij T > 39 ºC antibiotica (amoxicilline-clavulaanzuur 3 dd 500/125 mg of 4 dd 1000/200 mg IV in combinatie met metronidazol 3 dd 500 mg IV).
Cave fasciitis necroticans: ernstig zieke patiënt, evt. nauwelijks riekende afscheiding. In speculo blauwige verkleuring van de cervix. ABCD-benadering. Penicilline 6 dd 4 milj E IV en clindamycine 3 dd 600 mg of ceftriaxon 2 dd 2 g. Chirurgisch ingrijpen urgent.
Mastitis
Rode pijnlijke mamma.
SEH-behandeling: start amoxicilline-clavulaanzuur 3 dd 500/125. Kolven van de melk en deze niet aan het kind geven zolang antibioticum wordt gebruikt. Follow-up bij HA.
Cave: abcesvorming.
2.28 Koorts, tropen
Bij ziekte die ontstaat < 1 maand na (sub)tropische reis, denk dan naast de gebruikelijke (en meest waarschijnlijke) oorzaken ook aan importziekten. Volg het lokale hygiëneprotocol voor eventuele isolatiemaatregelen, ook als er een verdenking bestaat op MRSA bij verblijf in buitenlands ziekenhuis.
Presentatie
Anamnese (specifiek voor reizigers)
Bezochte regio’s en aard van verblijf.
Vaccinatie status, profylaxe gebruik en compliantie.
Begin en verloop koorts (episodes) en/of andere klachten.
Eten (rauw of niet goed doorgekookt/gebakken, niet gepeld fruit of groente), drinken niet-gebotteld water.
Insectenbeten.
Seksueel contact met lokale partner.
Zieke medereizigers.
Lichamelijk onderzoek
Vitale functies, temperatuur. Zoek specifiek naar icterus, lymfadenopathie, hepatosplenomegalie, huidafwijkingen zoals zweer van insectenbeet of petechiën. Relatieve bradycardie is een aanwijzing voor buiktyfus.
Differentiaaldiagnose acute tropische aandoeningen
Tabel 2.42.
DD op basis van incubatietijd koorts
| Incubatie < 14 dagen | Incubatie 14 dagen-6 weken | Incubatie > 6 weken |
|---|---|---|
| ongedifferentieerd:malaria, buiktyfus, dysenterie, dengue, leptospirosis, rickettsiose, hiv (vroege respons na infectie), trypanosomiasis (rhodesiense, Oost Afrika). |
• malaria • buiktyfus • hepatitis A/E • acute schistosomiasis (= Katayamakoorts) • amoebenleverabces • leptospirosis • hiv (vroege respons) • trypanosomiasis (Oost Afrika), virale hemorragische koortsen • Q-koorts (Rickettsiose) |
• malaria • tbc • hepatitis B/E • viscerale leishmaniasis • schistosomiasis • amoebenleverabces • rabiës • Afrikaanse trypanosomiasis (rhodesiense) • lymfatische filariasis |
| bloedingsneiging hemorragische virale koortsen:(dengue, Lassakoorts, gele koorts), malaria, leptospirosis, meningokokken, sepsis. | ||
| CZS-symptomen:meningitis (meningokok, andere bacteriën, viraal), encefalitis (bacterieel, viraal), malaria, rickettsiose, buiktyfus, trypanosomiasis (Oost Afrika) | ||
| Respiratoire symptomen:griep, streptokokken pneumonie, Legionella, rickettsiose (Q koorts) |
Tabel 2.43.
DD op basis van respiratoire symptomen
| Bronchospasme | acute schistosomiasis (Katayamakoorts), Löfflersyndroom (allergische reactie op o.a. worminfecties) |
| Hoesten | malaria, buiktyfus, scrubtyfus, dengue |
Tabel 2.44.
DD op basis van gastro-intestinale symptomen
| acute buik | geperforeerd darmulcus (bij buiktyfus), toxisch megacolon bij amoebe of dysenterie sikkelcel crises, miltruptuur (bij splenomegalie milt is erg kwetsbaar, trauma vaak mild) | |
| diarree en braken | ‘reizigersdiarree’ | meestal E. coli, kan leiden tot HUS |
| bloederige diarree | Entamoeba histolytica, Shigella, Campylobacter. | |
| profuse, niet-bloederige diarree | cholera | |
| niet-bloederige diarree | naast bovenstaande: staph. aureus, Giardia lamblia, Clostridium perfringens, Clostridium difficile, acute schistosomiasis | |
| icterus | virale hepatitis, cholangitis, leverabces, leptospirose, buiktyfus, malaria, dengue, gele koorts, hemoglobinopathieën | |
| hepatomegalie | malaria, buiktyfus, viscerale leishmaniasis, leptospirose, virale hepatitis, leverabces (amoebe, Echinococcus) | |
| splenomegalie | malaria, leishmaniasis (kala-azar), trypanosomiasis, buiktyfus, brucellosis, rickettsiose (vlektyfus), dengue | |
Tabel 2.45.
DD op basis van huidafwijkingen
| diffuse infecties weke delen | streptokokken (erysipelas, cellulitis) |
| erythema nodosum | tbc, lepra, schimmels, medicatie (sulfapreparaten) |
| erythema migrans | ziekte van Lyme |
| eschar (ulcus met korst) | Trypanosomiasis rhodesiense of rickettsiose, antrax |
| petechiën en/of ecchymosen. | meningokokkemie, hemorragische koortsen (gele koorts, dengue), rickettsiosen |
| ulcera | streptokokken, cutane leishmaniasis. |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: Hb, leuko, trombo, leuko diff, CRP, glucose, Na, K, creatinine, leverenzymen, LDH.
Urineonderzoek: sediment.
Microbiologie: bloedkweken, urinekweek, dikke druppel, sneltesten malaria. Bij buikklachten: feceskweken, onderzoek verse ontlasting op eitjes en amoeben, serologie.
Beeldvorming: X-thorax.
SEH-behandeling
ABCDE-benadering
Overweeg potentieel gevaarlijke aandoeningen: malaria, buiktyfus, dengue en amoebenleverabces.
2.29 Maagklachten
Presentatie
Anamnese
Ernst, frequentie en duur van klachten. Aard van de klachten: zuurbranden, regurgitatie, pijnklachten, een opgeblazen gevoel, misselijkheid of braken. Relatie met tijdstip, voedingsmiddelen of houding. Alarmsymptomen: haematemesis, melaena, passagestoornissen, ongewild gewichtsverlies. Beïnvloedende factoren: alcohol, roken, koffie, vetrijke maaltijden, koolzuurhoudende of zure dranken, stress. Gebruik medicatie: NSAID’s waaronder acetylsalicylzuur, anticoagulantia, corticosteroïden, SSRI’s. Voorgeschiedenis: endoscopie, maagbandje.
Lichamelijk onderzoek
Gericht op het uitsluiten van ernstige pathologie: massa palpabel, pathologische lymfklier supraclaviculair (Virchow’s node). Bij maagperforatie: peritoneale prikkeling, leverdemping opgeheven. Schouderpijn (diafragmaprikkeling). Rectaal toucher (melaena).
Tabel 2.46.
Maagklachten
| Klachten | Diagnose |
|---|---|
| zuurbranden, regurgitatie, pijnklachten, een opgeblazen gevoel, misselijkheid of braken, alcohol, roken, stress, NSAID’s, corticosteroïden. | gastritis, ulcus, oesofagitis, reflux, hernia diafragmatica |
| leeftijd > 65 jaar, passageklachten, gewichtsverlies, anemie, haematemesis, melaena, Virchow’s klier, VG maagklachten | maligniteit (maag, oesofagus) |
| peritoneale prikkeling, schouderpijn, ernstig ziek, VG maagklachten | maagperforatie |
Differentiaaldiagnose
ACS
Galwegproblemen
Gastro-enteritis
Aneurysma aorta abdominalis ruptuur
IBD
Aanvullend onderzoek
Bij typische maagklachten en in afwezigheid van alarmsymptomen is aanvullend onderzoek op de SEH niet noodzakelijk.
Bloedonderzoek: VBB, elektrolyten, nierfuncties en leverenzymen.
Beeldvorming: X-thorax/X-BOZ: ter uitsluiten vrij lucht onder diafragma bij verdenking maagperforatie.
SEH-behandeling
ABC-stabilisatie bij ernstig zieke patiënt.
-
Eerste episode maagklachten:
- Bij milde klachten proefbehandeling antacida zoals algeldraat/magnesiumhydroxide 4 dd 15 ml suspensie.
- Bij matige klachten proefbehandeling H2R-antagonist (bijv. ranitidine 2 dd 150 mg).
Bij ernstige, aanhoudende of terugkerende klachten en geen effect op antacida of H2-receptorantogonisten: start protonpompremmer (bijv. omeprazol 40 mg).
Daarnaast voorlichting over dieet, gewichtsreductie, stoppen met roken en medicatiegebruik.
Controle huisarts 2 weken.
Bij alarmsymptomen is (poliklinische, op korte termijn) endoscopie geïndiceerd.
2.30 Misselijkheid en braken
Presentatie
Anamnese
Frequentie, tijdstip, duur en hoeveelheid van het braken. Aspect braaksel (gallig, bloedbraken, fecaal braken). Kwantificeren vochtintake en diurese. Bijkomende symptomatologie: buikpijn, koorts, diarree, maagzuurklachten, eerdere abdominale operatie, thoracale pijn, recent trauma capitis, hoofdpijn, neurologische uitval, virale symptomen, diabetes, zwangerschap, medicatie, alcohol- of drugsgebruik, reizen.
Lichamelijk onderzoek
Pijnlijke buik, abdominale distensie, herniatie buikwand of inguïnaal. Auscultatie van de buik voor hoogklinkende peristaltiek is weinig sensitief maar wel specifiek voor ileus. Spaarzame peristaltiek is aspecifiek niet indicatief voor de ernst van een ziektebeeld. Flankpijn (cave pyelonefritis). Tekenen van dehydratie: (orthostatische) hypotensie, tachycardie, turgor, droge slijmvliezen. Aanwijzingen voorverhoogde intracraniële druk: verlaagd bewustzijn, hypertensie, bradycardie, unilaterale pupildilatatie, meningeale prikkeling, focale neurologische uitval.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.47.
DD misselijkheid en braken
| intra-abdominaal |
• intestinale obstructie: darmischemie, RIP, ileus, diabetische gastroparese • inflammatoir: gastritis, gastro-enteritis, pancreatitis, cholecystitis, appendicitis, peritonitis, pyelonefritis, hepatitis, diverticulitis • nephrolithiasis, cholelithiasis • maagcarcinoom, maagulcus, gastro-oesofageale reflux |
| thoracaal | MI met name onderwandinfarct |
| intracranieel |
• verhoogde intracraniële druk: tumor, subduraal hematoom, subarachnoïdale bloeding, intracraniële bloeding, contusie, hydrocephalus • meningo-encefalitis • labyrintitis, ménière • migraine |
| metabool/endocrien |
• uremie • leverinsufficiëntie • bijnierinsufficiëntie, Addisonse crise • metabole acidose of diabetische ketoacidose • elektrolytstoornissen (hypercalciëmie, hyperkaliëmie en hypokaliëmie) • graviditeit |
| overige |
• psychogeen, anorexia nervosa, boulimie • alcohol, drugs • medicamenteus (opiaten, chemotherapie, digoxine) |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: VBB, Na, K, Cl, creatinine, ureum. Op indicatie transaminasen, bilirubine, AF, GGT, ASAT, ALAT, amylase of lipase.
Bloedgas: onderliggende zuur-basestoornis als oorzaak (acidose) of gevolg (metabole alkalose) van braken.
Urineonderzoek: leukocyturie en evt. cilinders bij pyelonefritis, erytrocyturie bij nephrolithiasis. Zwangerschapstest.
Op indicatie: X-BOZ (vrij lucht [90% sens] of obstructie [70% sens]), ECG, echo abdomen, CT-cerebrum, lumbaalpunctie.
SEH-behandeling
C: Intraveneuze rehydratie.
-
Anti-emetica (tabel 2.48).
- Aspecifieke onderliggende oorzaak: domperidon of metoclopramide.
- Braken bij cytostatica: metoclopramide of ondansetron (vaak hoge dosering nodig).
- Hyperemesis gravidarum.
Correctie elektrolytstoornissen. Bij hypokaliëmie KCl intraveneus. Maximale concentratie 40 mmol/l. Maximaal 2-3 mmol/kg per 24 uur.
Tabel 2.48.
Anti-emetica
| Anti-emeticum | Wijze | Dosering | Opmerking |
|---|---|---|---|
| metoclopramide (Primperan ®) | IV | 10-20 mg, z.n. herhalen | dosering verlagen bij nierfunctiestoorniscave extrapiramidale bijwerkingen |
| PO | 10 mg, tot 4 dd | ||
| rectaal | 10-20 mg, tot 3 dd | ||
| domperidon (Motilium ®) | PO | 10-20 mg per gift, 3-4 dd (maximaal 80 mg/dag) | cave extrapiramidale bijwerkingen |
| rectaal | 60 mg (2 dd) | ||
| ondansetron (Zofran ®) | IV | 4 mg, z.n. herhalen | |
| PO | 4-8 mg, z.n. herhalen |
Opname/ontslag
Opname bij noodzaak tot intraveneuze rehydratie, correctie van elektrolytstoornissen, intraveneuze toediening van anti-emetica of behandeling van onderliggende pathologie.
Cave
Boerhaavesyndroom: perforatie oesofagus bij braken. Meestal mannen van middelbare leeftijd, na alcohol intake en braken, acute hevige pijn thorax met uitstraling naar rug/schouders, koorts, hoesten bij slikken, heesheid en dyspnoe. Diagnose op X-thorax: pneumomediastinum/-thorax, subcutaan emfyseem, pleuravocht, verbreed mediastinum. B/ICC chirurgie.
Mallory-Weiss-laesie: mucosale laesie maag geeft haematemesis bij braken, meestal benigne. Het bloedbraken ontstaat dan ná een eerste keer braken zonder bloed.
2.31 Neurologische uitval (lokalisatie)neurologische uitvallokalisatie
Bij neurologische symptomen is lokalisatie van de laesie de crux van de differentiaaldiagnose en het in te zetten traject. Het eerste onderscheid dat gemaakt moet worden is dat tussen centraal (de hersenen en het ruggenmerg betreffende) en perifeer (wortel, plexus, bundel, zenuw, spier). De diagnose van centrale problemen kan het beste worden gesteld aan de hand van het belangrijkste symptoom, bij perifere problemen is het belangrijk het niveau van de uitval te bepalen omdat dat de differentiaaldiagnose bepaald.
Stap 1 vaststellen van de klachten
Anamnese
Precieze tijdstip van begin van de klachten, spraak, slikken, visus, gehoor, vertigo, tremor, kracht, sensibiliteit, pijn, koorts, bewustzijnsverlies, slaap- en waakritme, hallucinaties.
Lichamelijk onderzoek
Vitale functies, temperatuur, meningeale prikkeling, cognitieve functies, hersenzenuwen, nystagmus, kracht, tonus, cerebellaire functies, sensibiliteit, reflexen, aanwezigheid pathologische reflexen, fasciculaties, atrofie en evenwicht. Probeer motore, sensibele symptomen en reflexen af te grenzen op een bepaald niveau (figuur 2.5, tabel 2.49). Voor perifere zenuwen zie mononeuropathie.
Figuur 2.5a.

Dermatomen, vooraanzicht
Tabel 2.49.
Bepaling ruggenmergniveau
| Niveau | Dermatoom (sensibel) | Myotoom (motorisch) | Reflex |
|---|---|---|---|
| C2 | retroarticulair | - | - |
| C4 | acromiale regio | - | - |
| C5 | deltoïdregio | flexie elleboog | bicepspees |
| C6 | duim | extensie pols | |
| C7 | middelvinger | extensie elleboog | tricepspees |
| C8 | pink | flexie distale falanx dig III hand | - |
| T1 | binnenzijde bovenarm distaal | abductie pink | - |
| T4 | tepel | - | - |
| T8 | xifoïd | - | buikhuid |
| T10 | navel | - | buikhuid |
| T12 | symphysis pubis | - | buikhuid |
| L2 | voorzijde bovenbeen | flexie heup | kniepees |
| L3 | mediale zijde knie | extensie knie | kniepees |
| L4 | mediale zijde kuit | dorsiflexie enkel | kniepees |
| L5 | Laterale onderbeen, voetdorsum, webspace tussen 1e en 2e teen | extensie hallux | - |
| S1 | laterale voetrand | plantair flexie enkel | achillespees |
| S3 | regio zitbeen | - | - |
| S4-5 | perianale regio | Sfincterspanning | - |
Figuur 2.5b.

Dermatomen, achteraanzicht
Stap 2 onderscheid centrale vs perifere neurologische uitval
Tabel 2.50.
Centrale vs perifere neurologische uitval
| Symptomen | Centraal | Perifeer |
|---|---|---|
| bewustzijnsdaling | mogelijk | geen |
| corticale symptomen (afasie, apraxie, agnosie) | mogelijk | geen |
| cerebellaire symptomen (dysartrie, ataxie, intentietremor) | mogelijk | geen |
| hersenzenuwen aangedaan | mogelijk | mogelijk |
| tonus | spastisch (slap in acute fase) | slap |
| reflexen | verhoogd + Babinski | verlaagd/afwezig |
| spieratrofie | minimaal | duidelijk |
| fasciculaties | geen | mogelijk |
| ga naar stap 3 |
Stap 3 onderscheid perifere syndromen
Tabel 2.51.
Onderscheid perifere syndromen
| Systemen | Radiculair | Neuropathisch | Neuromusculaire overgang | Myopathie |
|---|---|---|---|---|
| motorisch (parese, atrofie) | + | distaal | proximaal | proximaal |
| sensibel (hyp/paresthesie) | + | + | - | - |
| autonoom (orthostase, maag/darm/blaasdisfunctie) | alleen bij conus/cauda | +/- | +/- | +/- |
| reflexen | ↓ | ↓ | ↔ | ↔/↓ |
| overig | pijn | soms diplopie, dysartrie, dysfagie, pupilafwijkingen | soms ↑BSE, ↑CPK | |
| DD | radiculair syndroom | mononeuropathie, perifere facialisparese, Guillain Barré, polyneuropathie, Lyme, porfyrie, neurapraxie, traumatisch | myasthenia gravis, botulisme, toxisch | polymyositis, dermatomyositis |
2.32 Obstipatie
Volgens de Rome-III-criteria is er pas sprake van obstipatie wanneer langdurig ten minste twee van de volgende symptomen aanwezig zijn bij een significant deel van de defecaties:
persen
harde ontlasting, keutels
gevoel niet alles kwijt te raken
gevoel van anorectale verstopping
noodzaak van manuele manipulatie (bijv. ondersteuning bekkenbodem, manuele evacuatie)
minder dan 3 x per week ontlasting
Presentatie
Anamnese
Duur klachten, defecatiepatroon, consistentie ontlasting, rectaal bloedverlies, misselijkheid, braken, buikpijn, voedingspatroon, vochtintake, reeds gebruikte maatregelen, voorgeschiedenis, medicatiegebruik.
Lichamelijk onderzoek
Gericht op het uitsluiten van een organische oorzaak.
Littekens van abdominale OK’s, herniae en palpabele massa.
Rectaal toucher: hemorroïden, fissuren, sfincterspanning, palpabele afwijkingen, consistentie ontlasting en rectaal bloedverlies.
In speculo (vaginaal): ontstaat rectocele bij laten persen.
Differentiaaldiagnose
Metabool/endocrien: o.a. diabetes mellitus, hypothyreoïdie, hypokaliëmie, hypercalciëmie.
Medicamenteus: o.a. opiaten, anticholinergica, calciumblokkers, ijzer.
Neurologisch: o.a. M. Parkinson, multiple sclerose, ruggenmerglaesies.
Tractus digestivus: o.a. carcinoom, volvulus, strictuur, fissura ani, hemorroïden, rectocele.
Aanvullend onderzoek
Er is geen bewijs voor het nut van routinematig onderzoek op de SEH voor het aantonen of uitsluiten van een onderliggende oorzaak. Vaak uitgevoerd:
X-BOZ of echo abdomen: alleen ter uitsluiting obstructieve oorzaak.
Bloedonderzoek: screenend bij vermoeden op onderliggende oorzaak zoals anemie, DM, hypothyreoïdie of een mogelijke elektrolytstoornis.
SEH-behandeling
Algemene adviezen zijn de hoekstenen van behandeling:
Lichaamsbeweging, maar niet direct na maaltijd.
Vocht minimaal 1,5 liter per dag (thee en koffie niet meerekenen).
Dieet: vezels (groenten, citrusvruchten, granen, bruin brood) en fruit (fructose).
Medicamenteuze behandeling: er is weinig onderzoek gedaan naar de effectiviteit van laxantia en de keuze wordt dan ook hoofdzakelijk bepaald door het bijwerkingenprofiel en de toepasbaarheid (tabel 2.52). Over het algemeen moet bij acute obstipatie eerst het rectum en evt. het sigmoïd geledigd worden m.b.v. een klysma, voordat laxantia worden toegepast. Contra-indicaties medicamenteuze behandeling zijn ileus, darmobstructie, acute buik en peritonitis.
Tabel 2.52.
Middelen bij obstipatie
| Stap | Middel | Dosering | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| lediging rectum en hoger gelegen darm(klysma’s) | natriumlaurylsulfoacetaat (Microlax ®) | 1 dd 5 ml PR | mild, lokale irritatie |
| bisacodyl (Dulcolax ®) supp | 1 dd 10 mg PR | lokale irritatie | |
| natriumdocusaat/sorbitol (Klyx ®) | 1-3 dd 120 ml PR | lokale irritatie | |
| natriumfosfaat (Colex klysma ®) | 1-3 dd 133 ml PR | lokale irritatie. niet bij nierfunctie- of elektrolytstoornissen | |
| kortdurende therapie bij acute klachten (contactlaxantia) | bisacodyl (Bisacodyl ®, Dulcolax®) PO | 5-10 mg PO (an) | veel drinken. buikkrampen |
| sennosiden (Xpraep ®, Prunacolon®) | 10-15 ml PO | buikpijn | |
| therapie bij chronische klachten (osmotische laxantia) | lactulose (Lactulose ®, Duphalac ®, Legendal®) | 1-2 dd 15-30 ml PO | flatulentie, buikklachten |
| magnesiumoxide, magnesiumsulfaat | 2-5 g PO 10-30 g PO | mg-intoxicatieniet bij ernstig nierfalen | |
| macrogol (Movicolon ®, Forlax ®) | 1-2 dd 1 PO | buikpijn, niet bij IBD | |
| therapie bij IBS (vezels/bulkvormers) | psyllium (Metamucil ®, Volcolon ®) | 1-3 dd 1 PO | veel drinken, opgeblazen gevoel |
Opname/ontslag
Opname over het algemeen alleen bij een onderliggende oorzaak die acuut medisch ingrijpen behoeft (bijv. ileus, volvulus), zelden kan laxatie niet thuis plaatsvinden. Bij chronische klachten voor verdere behandeling terugverwijzen naar de huisarts. Indien er sprake is van verdenking maligniteit dan is urgente poliklinische analyse geïndiceerd.
Cave
Denk aan perforatie bij patiënten die klysma’s hebben gebruikt.
Faecale impactie kan overloop diarree, megacolon of perforatie tot gevolg hebben.
2.33 Oogklachten
Presentatie
Anamnese
Visus (normaliter, recente verandering, verloop van de uitval), pijn (hoofdpijn, pijn bij oogbewegingen), diplopie, fotofobie (suggestief voor inflammatie voorste oogsegment), jeuk, afscheiding, tranen, medicatie. Bril-/contactlenzen. Voorgeschiedenis: eerdere oogklachten, operaties/laserbehandeling, systeemziekten, IBD en Bechterew.
Lichamelijk onderzoek
Zo nodig eerst pijnstilling met oxybuprocaïne of tetracaïne oogdruppels.
-
uitwendige inspectie
- gelaat (zwelling, ptosis, en-/exophthalmos)
- oogleden (eversie; zoek naar corpus alienum)
- conjunctiva/sclera (roodheid, secreet)
visus (m.b.v. stenopeïsche opening als patiënt geen bril/contactlenzen bij zich heeft)
gezichtsvelden
oogbewegingen (diplopie?)
pupillen (grootte, vorm, directe en indirecte lichtreacties, RAPD = Relatief Afferent Pupil Defect)
cornea (zonder & met fluoresceïne + kobaltblauw licht)
voorste oogkamer (bloed, pus, cellen), iris, lens (helderheid, luxatie)
onderzoek van het achterste segment (glasvocht, retina, papil) en oogdrukmeting op indicatie door oogarts.
Differentiaaldiagnose
Bepaal het symptoom dat op de voorgrond staat:
roodheid zie tabel 2.54;
pijn zie tabel 2.53;
zwelling zie tabel 2.55;
trauma oog tabel 2.57;
-
visusstoornis: onderscheid
- unilateraal (zie tabel 2.56);
- bilateraal, oorzaak op neurologisch (ischemie, tumor cerebri), psychiatrisch (conversie) of internistisch (hyperglykemie, methanol of medicamenteus) gebied.
Tabel 2.54.
DD Rood oog
| Conjunctivitis | Episcleritis | Scleritis | Acuut glaucoom | Iridocyclitis | Keratitis | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| hyperemie | diffuus/perifeer | fokaal | fokaal/diffuus | diffuus/centraal | diffuus/centraal | diffuus |
| afscheiding | + | - | - | - | -/minimaal | + |
| pupil | g.b. | g.b. | g.b./+ (indien tevens uveïtis) | enigszins verwijd, ↓ LR | miosis, ↓ LR | g.b./+ (indien uveïtis) |
| pijn | - | ± | +/++ | +/++ | + | +/++ |
| visus | g.b. | g.b. | g.b./↓ | ↓↓ | ↓/↓↓ | ↓/↓↓ |
| cornea | helder | helder | soms perifere opaciteit | troebel | ± troebel | troebel |
Tabel 2.53.
DD Pijn in het oog
| Begeleidend symptoom | Onderscheid | Diagnose (zie beschrijvingen) |
|---|---|---|
| roodheid | roodheid op de voorgrond | zie tabel 2.55. |
| anamnese | corpus alienum | |
| infiltraat cornea | cornea ulcus | |
| posttrauma/OK | endoftalmitis | |
| (minimaal) trauma | cornea-erosie | |
| visusstoornissen (meestal) | proptosis, pijn bij bewegen oog | orbitale cellulitis |
| hoofdpijn | migraine, clusterhoofdpijn, sinus cavernosus trombose, arteriitis temporalis. |
Tabel 2.55.
DD Zwelling
| Locatie | Begeleidende symptomen | Diagnose |
|---|---|---|
| alleen conjunctiva | nauwelijks/geen roodheid | chemose |
| oogleden | roodheid | blefaritis |
| geen roodheid, evt. crepitaties | oedeem of emfyseem (bij fractuur van bot tussen orbita en sinus) | |
| ecchymose | haematoom | |
| nasale ooghoek | roodheid | dacryocystitis |
| lateraal bovenste ooglid | koorts, leukocytose | dacryoadenitis |
| lokaal ooglid | pijnlijk, op ooglidrand | hordeolum |
| pijnloos, in ooglid | Chalazion |
Tabel 2.57.
Oculair trauma
| Presentatie | Diagnose | SEH-behandeling |
|---|---|---|
|
• pijn, visusverlies • gevaar: corneatroebeling/-perforatie, ooglidverkleving |
etsing door loog/kalk/zuur |
• pijnstilling, minimaal 20 min • spoelen met NaCl 0,9% (liefst met Morgan-lens of met spoelbadje/fles) • spoed ICC oogarts |
| hyphaema, dislocatie van de ooglens, visusdaling | contusio bulbi | spoed ICC oogarts |
|
• vervormde pupil (irisprolaps), ondiepe VOK, zichtbaar gat • Seideltest: stip de plaats waar je de perforatie vermoedt aan met een in NaCl 0,9% gedoopte fluoresceïnestrip, kijk met spleetlamp (kobaltblauw licht) of kleurstof de oogbol in lekt |
perforatio bulbi |
• pijnstilling, afdekken met oogschild, patiënt mag onder geen beding in oog wrijven • spoed ICC oogarts |
Tabel 2.56.
DD Acute pijnloze unilaterale visusstoornissen
| Begeleidende symptomen | Diagnose | Beleid |
|---|---|---|
| acute visusdaling, VG HT, HVZ | acute vaatafsluiting | Spoed ICC oogarts (soms ter uitsluiting andere pathologie). ICC neuroloog bij neurologische diagnose. |
| met doorvallend licht een donkere retinareflex i.t.t. de rode reflex aan het andere oog | glasvochtbloeding | |
| lichtflitsen, acute mouches volantes; VG hoge myopie (bijziendheid); meestal ouderen | ablatio retinae | |
| unilaterale subacute (uren-dagen) visusdaling. RAPD; meestal vrouw 18-45 jaar | neuritis optica | |
| seconden tot minuten durende visusdaling met spontaan herstel | amaurosis fugax (TIA oogarterie) | |
| uitval bestaat uit centraal scotoom + lichtflitsen, waarna al dan niet hoofdpijn ontstaat | migraine ophtalmique | |
| pijnlijk gezwollen arteria temporalis, masseter claudicatio, koorts, myalgia, leeftijd > 55 jaar; verhoogde CRP en BSE | arteriitis temporalis |
SEH-behandeling
Pijnstilling.
-
Spoed ICC oogarts geïndiceerd bij:
- Unilaterale visusdaling.
- Verdenking cornea-ulcus, keratitis dendritica, iridocyclitis, endoftalmitis, glaucoom, scleritis, cellulitis orbitae.
- Trauma oog.
Specifieke oogaandoeningen
Acuut (nauw-kamerhoek) glaucoom
Unilaterale (hoofd)pijn, erger bij licht naar donker, wazige visus, halo’s zien.
Lichamelijk onderzoek: troebele/doffe cornea, rode conjunctivae, ondiepe voorste oogkamer.
SEH-behandeling: spoed ICC oogarts. Kan binnen enkele uren opticusatrofie en verlies van visus geven.
Blefaritis
Diffuse ontsteking ooglidrand.
Anamnese: jeuk en droge ogen.
Lichamelijk onderzoek: roodheid, schilfers in wimperaanplant.
SEH-behandeling: ooglidrand 6 dd reinigen met wattenstokje + babyshampoo in water.
Chemosis
Lokale histamineafgifte, al dan niet bij bekende allergie.
Lichamelijk onderzoek: kleurloze/lichtroze oedemateuze conjunctivae.
SEH-behandeling: antihistaminica oogdruppels, eventueel in combinatie met tabletten.
Conjunctivitis
Geen/weinig afscheiding, jeuk, verkoudheid. Virale conjunctivitis . Spontane genezing < 2 weken. B: spoelen met water, besmetting anderen voorkomen.
Purulente afscheiding, ‘dichtgeplakt oog’ ’s ochtends. Bacteriële conjunctivitis . Spontane genezing < 2 weken. B: volg lokaal protocol bijv. fusidinezuur 1% 1 druppel 4 tot 6 dd lokaal voor 7 dagen.
Hevige purulente afscheiding en evt. combinatie met SOA (gonorrhoea) kan duiden op gonokokkenconjunctivitis . Overleg oogarts. Kan perforatie geven.
Chemosis, rhinitis, papillen in conjunctivaalzak. Allergische conjunctivitis . B: anti-histamine oogdruppels (bijv. levocabastine 2-4 dd 1 druppel)
Cornea-erosie
Door gering direct trauma of uitdroging.
Lichamelijk onderzoek: fluoresceïne geeft verkleuring letsel.
SEH-behandeling: AB oogdruppels (3 dagen), revisie oogarts indien dan niet genezen. Orale pijnstilling (geen pijnstillende oogdruppels!). Oog afplakken is obsoleet.
Cave: als bij fluoresceïne dendrieten zichtbaar zijn dan keratitis dendritica (herpesvirusinfect). B: Spoed ICC oogarts. Kan littekenvorming cornea geven.
Cornea ulcus
Infectie diepere lagen van de cornea door trauma (lenzen) of uitdroging (facialisparese).
Anamnese: pijn, visusstoornis.
Lichamelijk onderzoek: roodheid, troebel infiltraat cornea ± hypopyon.
SEH-behandeling: Spoed ICC oogarts. Kan visusstoornis door permanente corneabeschadiging geven.
Corpus alienum
-
Verwijder metaal (+ roestring) met een frees of guts (omgebogen punt van een injectienaald). Verwijs (geen spoed) naar oogarts bij
- c.a. dat niet verwijderd kan worden;
- centraal gelokaliseerd omvangrijk c.a;
- roestrest, na 24 uur verweken d.m.v. chlooramfenicol oogzalfverband.
Onder het bovenste ooglid kan een klein corpus alienum zitten dat verticale cornea-erosies geeft. Verwijdering na eversie van het bovenooglid met behulp van een wattenstaafje geeft meestal direct verlichting. Behandel verder als cornea-erosie.
Dacryocystitis
Infectie bij verstopping traanbuis.
Lichamelijk onderzoek
Roodheid en zwelling nasale ooghoek.
Aanvullend onderzoek
Kweek eventuele afscheiding.
SEH-behandeling
Amoxicilline/clavulaanzuur 3 dd 625 mg PO voor 14 dagen. Follow-up oogarts.
Dacryoadenitis
Ontsteking traanklier. Meestal viraal.
Lichamelijk onderzoek: roodheid, chemosis, koorts, leukocytose.
Aanvullend onderzoek: VBB, kweek afscheiding.
SEH-behandeling: expectatief, follow-up oogarts.
Endoftalmitis
Intraoculaire (stafylokokken) infectie, vaak een week na oogoperatie/trauma.
Anamnese: hevige unilaterale pijn, visusdaling. VG immuungecompromitteerd.
Lichamelijk onderzoek: zwelling oogleden, cornea oedeem, cellen voorste oogkamer, roodheid, hypopion, afscheiding, koorts.
SEH-behandeling: Spoed ICC oogarts, antibiotica IV i.o.m. oogarts.
Episcleritis
Fotofobie, milde pijn.
Lichamelijk onderzoek: focale, niet-verschuifbare roodheid. In tegenstelling tot scleritis verbleekt de roodheid na een druppel fenylefrine.
SEH-behandeling: Spontaan herstel < 3 weken, zo nodig NSAID. Verwijzing poli oogarts/internist bij recidief.
Hordeolum (‘strontje ’)
Pijnlijk ontstoken kliertje ooglid(rand) door stafylokok.
SEH-behandeling: warme kompressen, herstelt spontaan, geen antibiotica.
Iridocyclitis (iritis , uveïtis anterior )
Ontsteking iris en corpus ciliare door trauma, systeemziekte of idiopathisch.
Anamnese: pijn (spontaan en bij consensuele lichtreactie), visusdaling, fotofobie.
Lichamelijk onderzoek: diepe roodheid rondom iris, miosis, cellen voorste oogkamer. Na verdovende oogdruppel zakt de pijn niet.
SEH-behandeling: Spoed ICC oogarts. Kan leiden tot irisverkleving of glaucoom.
Keratitis foto-electrica
Hevige pijn/rood, zandgevoel, fotofobie. Symptomen soms pas 8-12 uur na UV-blootstelling (zonnebank, lassen).
Lichamelijk onderzoek: (fluoresceïne) keratitis punctata in horizontale band over cornea.
SEH-behandeling: NSAID/opiaat, 4 dd 1 druppel cyclopentolaat 1% PO. Spontaan herstel < 24 uur.
Orbitale cellulitis A
Pijnlijke oogbewegingen, visusdaling, malaise.
Lichamelijk onderzoek: rubor/calor/tumor, koorts, RAPD, proptosis.
SEH-behandeling: Spoed ICC oogarts. Kan beschadiging nervus opticus geven. Antibiotica volgens protocol (bijv. amoxicilline/clavulaanzuur 4-6 dd 1200 mg IV).
Scleritis
Ontsteking sclera o.b.v. idiopathisch/infectie/auto-immuun-/bindweefselziekte.
Anamnese: hevige pijn met name ‘s nachts, roodheid, visusstoornis.
Lichamelijk onderzoek: de vaten verbleken niet na een druppel fenylefrine, zoals bij episcleritis.
SEH-behandeling: pijnstilling, Spoed ICC oogarts.
Subconjunctivale bloeding (hyposphagma )
Na drukverhogend moment (hoesten/persen/braken) of spontaan, m.n. bij antistolling.
Lichamelijk onderzoek: lakrode, verschuifbare verkleuring onder conjunctiva.
SEH-behandeling: geruststelling, spontaan herstel < 2-3 weken.
2.34 Oorpijn
Presentatie
Bij otitis media betreft het doorgaans kinderen. Otitis externa wordt frequent gezien bij irritatie van de gehoorgang, bijvoorbeeld door zwemmen, oorpeuteren, dragen van gehoorapparaat of oordoppen. Ook na trauma kan oorpijn optreden.
Anamnese
Begin, duur en beloop van de klachten, vocht uit het oor, jeuk of gehoorsverlies. Klachten van bovensteluchtweginfectie.
Klachten: koorts, braken, diarree, slecht drinken, hangerig.
Eerdere episodes van oorontsteking, KNO-operaties in de voorgeschiedenis (perforatie, trommelvliesbuisjes).
Lichamelijk onderzoek
Inspectie uitwendig oor: oorschelp, littekens achter het oor (middenoorchirurgie in VG), pijn bij tractie aan de oorschelp of bij druk op de tragus.
Inspectie inwendig oor: gehoorgang: zwelling, schilfering, roodheid, otorroe, vesikels, erosies. Aspect van het trommelvlies: intact, kleur, vaatinjectie. Stand van het trommelvlies: bomberend, ingetrokken, normaal, lichtreflex. In geval van trauma: bloed/liquor in de gehoorgang, hematotympanum (blauw doorschemerend trommelvlies).
Verschijnselen die op een complicatie (mastoïditis, meningitis) kunnen wijzen: ernstig algemeen ziekzijn, afstaan van het oor, drukpijnlijk mastoïd, nekstijfheid, verminderd bewustzijn.
Oriënterend gehooronderzoek: stemvorkonderzoek (proeven van Rinne en Weber).
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.58.
DD oorpijn
| Uitwendig oor | Gehoorgang/trommelvlies | Gehoor | |
|---|---|---|---|
| OMA | gb | rood, bomberend trommelvlies, soms perforatie met otorroe, kan bloederig zijn | verminderd, Weber gb Rinne afwijkend |
| myringitis | gb | vesikels op het rode trommelvlies | verminderd, Weber gb Rinne afwijkend |
| otitis externa | drukpijn tragus | zwelling, rood, otorroe. trommelvlies gb | gb tenzij veel otorrhoe |
| trommelvliesperforatie | gb | perforatie | verminderd, Weber gb Rinne afwijkend |
| herpes zoster oticus | gb | vesikels gehoorgang | kan aangedaan zijn |
SEH-behandeling
OMA
Self-limiting ziekte, 90% binnen drie dagen forse vermindering van de klachten. Geef pijnstillingsadvies en decongestieve neusdruppels.
Antibiotica geïndiceerd bij:
kinderen jonger dan 6 maanden
afwijkend beloop – meer dan 3 dagen klachten en/of ziekzijn (alle leeftijden)
Antibiotica sterk overwegen bij:
kinderen jonger dan 2 jaar met een recidief binnen 12 maanden of dubbelzijdige OMA
patiënten met het syndroom van Down, palatoschisis of gecompromitteerd immuunsysteem
een pas ontstaan loopoor of bij persisteren van een loopoor > 1 week
Antibioticum van keus is amoxicilline 30 mg/kg/dag in 3 giften gedurende 1 week. Bij overgevoeligheid voor amoxicilline kan gekozen worden voor azitromycine 10 mg/kg/dag in 1 gift gedurende 3 dagen, of co-trimoxazol 36 mg/kg/dag in 2 giften gedurende 5-7 dagen.
ICC KNO-arts bij verdenking op mastoïditis of bij uitblijven van verbetering 24-48 uur na het starten van antibiotica.
Myringitis
Geruststelling en pijnstillingsadviezen. Het betreft doorgaans een virale verwekker. Het beeld geneest spontaan.
Otitis externa
Geef zure oordruppels met 1% hydrocortison of zure oordruppels met triamcinolonacetonid 0,1% FNA 3 dd 3 druppels in het aangedane oor. Is er (verdenking op) een trommelvliesperforatie, kies dan voor aluminiumacetotartraat oordruppels 1,2%, 3 dd 3 druppels.
Bij maligne otitis externa (koorts, algemeen ziekzijn en pijn, zwelling of roodheid van de oorschelp of weke delen rond het oor): geef druppels zoals hierboven beschreven, pijnstillingsadvies en flucloxacilline 3 dd 500 mg gedurende 1 week.
Trommelvliesperforatie
Expectatief, meestal treedt er spontane genezing op. Consulteer KNO-arts bij perforaties > 1/3 van het trommelvlies.
Herpes zoster oticus
Zie perifere facialisparese.
Opname/ontslag
Indicaties tot opname zijn (verdenking op) meningitis of mastoïditis, maligne otitis externa bij ouderen of immunogecompromitteerden, ernstig (schedel)trauma.
2.35 Penisproblemen
Balanopostitis
Klachten: glans penis, erytheem, schilfers. Suggestief voor Candida: rode spikkels, ragaden, jeuk. Bacterieel: klachten uitbreidend naar penisschacht.
Aanvullend onderzoek: KOH-preparaat, kweek.
SEH-behandeling: regelmatig wassen, daarna droog houden. Lokale behandeling miconazolcrème 2% 1-2 dd. Bacterieel: breed spectrum cefalosporine.
Cave: recidiverende balanopostitis kan wijzen op DM.
Paraphimosis (Spaanse kraag)
Ronde zwelling van de voorhuid, die niet over de glans is getrokken (bijv. na inbrengen CAD). Zwelling ligt rondom de basis van de glans. Als langer bestaand, dan cave decubitusplekken. Mictie in principe ongestoord.
-
SEH-behandeling
Lokale applicatie lidocaïnegel of circulair blok met lidocaïne aan basis van de penis (figuur 2.6). Gaas circulair rondom de zwelling en stevig vastpakken om het oedeem weg te drukken (5 minuten). Meestal kun je daarna de voorhuid reponeren: plaats duimen op de glans en duw door de ring van de voorhuid naar binnen, door tegendruk van de vingers wordt de ring over de glans heen getrokken (figuur 2.7). Als dit niet lukt overweeg dan een ‘dorsal slit’ = een snede in de lengterichting dorsaal (= buikzijde) over de gezwollen voorhuid vanaf net proximaal van de zwelling. Hierdoor ontstaat dan de benodigde ruimte. Voorhuid reponeren en huiddefect eventueel dwars sluiten (figuur 2.8). Controleer voorhuid op decubitus.
Figuur 2.6.
Penis: basisblokanesthesie

Plaats huidkwaddels op de aangegeven zwarte punten. Van daaruit veld anesthesie aanleggen, waarbij de horizontale lijn zo dichtbij mogelijk bij de basis van de penis wordt gelegd. Naar: Reichman, Simon Emergency Procedures McGrawhill.
Figuur 2.7.

Reponeren voorhuid bij paraphimosis
Figuur 2.8.
Reponeren voorhuid bij paraphimosis met dorsale incisie

A. incisie op plaats stippellijn.
B. de voorhuid zal open gaan staan in ruitvorm.
C. na reductie van de voorhuid kan de incisie gesloten worden.
Penistraumapenistrauma
Trauma frenulum . Kan ontstaan bij seksueel contact.
SEH-behandeling: lokale druk voor 10 minuten. Indien de patiënt nog steeds bloedt dan ICC urologie. Anders: expectatief, 10 dagen geen seksuele activiteit.
Fractured penis.fractured penis Bij trauma van een penis in erectie. Afwijkende stand en zwelling met hematoom.
SEH-behandeling: ICC urologie: operatie-indicatie.
Entrapment penisentrapment penis. Afknellende (meestal zelf aangebrachte) voorwerpen. Cave penile hair-tourniquet syndrome bij kleine kinderen.
SEH-behandeling: verwijderen corpus alienum. Bij gebrek aan materiaal op de SEH hiervoor, denk evt. aan de brandweer. Bij tourniquetsyndroom verder onderzoek naar bloedvoorziening penis en doorgankelijkheid urethra noodzakelijk (ICC urologie).
Ritstrauma.
SEH-behandeling: gebruik lidocaïne 1% om de huid lokaal te verdoven (zo nodig penisblok figuur 2.6 en/of procedurele sedatie en analgesie (PSA)). Met royale applicatie van minerale olie glijdt de huid soms bijna vanzelf uit de rits. Als dat niet werkt, knip dan eerst het kledingstuk weg van de rits, om daarna met een chirurgische kniptang de verbinding tussen de binnen en buitenzijde van het sluitertje door te knippen (figuur 2.9). Het sluitertje valt dan uit elkaar en de rits kan geopend worden. Als de verbinding niet te knippen is en de huid zit vast in de tanden van de rits, knip door het stoffen gedeelte de rits los van de kleding en knip daarna in de stof tussen de tanden (figuur 2.9). Als dit niet werkt: ICC urologie.
Figuur 2.9.
Urogenitaal verhelpen van ritstrauma.

A en B Knip met een tang (bijv. knabbeltang) het sluitertje door, daar waar het van buitenste naar binnenste deel overgaat.C Losknippen rits van kleding (lange stippellijnen), daarna tussen de tanden (pijltjes).
Priapisme
(Ischemisch, low flow). Pijnlijke blijvende erectie +/- mictieproblemen. Meest voorkomende oorzaken: sikkelcelcrisis, leukemie, iatrogeen (lokale injecties i.v.m. impotentie).
-
SEH-behandeling:
- Terbutaline (Bricanyl ® 0,5 mg/ml) 0,25-0,5 mg sc IM deltoideus gebied.
- Bij > 6 uur bestaand of geen effect terbutaline: drainage door aanprikken van 1 van de corpora cavernosa. Lokale anesthesie aan de basis van de schacht (figuur 2.6). Plaats vleugelnaald t.h.v. basis of midschacht loodrecht op de huid op 10 en/of 2 uur. Prik zo het corpus aan door te richten naar het centrum. Bloed laten afvloeien of (langzaam) aspireren. Evt. met irrigatie: kleine hoeveelheden NaCl 0,9% via naaldje inspuiten en weer af laten vloeien. Bij onvoldoende effect: fenylefrine injecties in het corpus cavernosum 1 ml (0,25 mg = 250 μg) per keer. Evt. na 10 minuten herhalen tot effect (maximaal 1000 μg).
- ICC urologie.
- Behandel onderliggende oorzaak (sikkelcelcrisis)
-
Cave:
- Licht de patiënt in over het optreden van erectieproblemen na een episode van priapisme.
- Bij (vaak voorkomende) recidieven snel melden.
2.36 Pijnbestrijding
Veel aandoeningen op de SEH gaan gepaard met pijn. Bij alle acute pijn en als de patiënt behoefte eraan heeft, moet pijnstilling worden gegeven. De SEH-verpleegkundige kan dit zelfstandig volgens ziekenhuisprotocol starten. Het effect van de pijnstilling wordt met een pijnscore (VAS, NRS of descriptieve beoordelingsschaal) gemeten en vervolgd. De pijnstilling wordt op geleide hiervan getitreerd.
Pijnstilling bij acute pijn kan gegeven worden volgens tabel 2.59. Bij milde pijn wordt er gestart met de niet-opioïden, paracetamol en de NSAID’s in stappen 1-3. Bij ernstige pijn kan direct met de opioïden in stap 4 worden begonnen. Opioïden bij voorkeur intraveneus tot het gewenste effect te titreren. Lichte opioïden (tramadol) hebben op de SEH weinig toegevoegde waarde. Orale of transdermale opioïden zijn effectief als ontslagmedicatie wanneer paracetamol of NSAID’s onvoldoende zijn, bijvoorbeeld voor rib-, clavicula- of humerusfracturen.
Tabel 2.59.
Analgetica
| Stap | Medicatie | Startdosering en toedieningsvorm | Onderhoudsdosering |
|---|---|---|---|
| 1 | paracetamol | 1000 mg PO, rectaal of intraveneus | 1000 mg 4 dd PO of rectaal |
| 2 | diclofenac | 50-100 mg PO, 50-100 mg rectaal, 75 mg IM of IV | (25-)50 mg 3 dd PO; max 150 mg/24 uur |
| ibuprofen | 400-600 mg PO of rectaal | 3-4 dd PO/rectaal, maximaal 1200-1600 mg/24uur | |
| naproxen | 250-500 mg PO of rectaal | 2 dd PO of rectaal, maximaal 600 mg/24uur | |
| 3 | paracetamol in combinatie met NSAID | zie hierboven | zie hiervoor |
| 4 | morfine | oplaaddosis 0,1 mg/kg IV, daarna à 10 minuten met halve dosering tot gewenst effect. Ouderen en hypovolemische patiënten laag starten (bijv 2,5 mg IV) s.c. 0,1-0,2 mg/kg. | eventueel PCA (Patiënt Controlled Analgesia) |
| fentanyl | 1,0 microgram/kg IV per gift à 2-3 minuten herhalen tot gewenst effect. Ouderen en hypovolemische patiënten halve dosering starten. | n.v.t. | |
| fentanyl transdermaal | pleister ‘12 mcg/uur’ | elke 3 dagen verwisselen, combineren met lactulose | |
| morfine retard | 2 dd 10-20 mg PO, z.n. ophogen naar 30 mg 2 dd | combineren met lactulose | |
| tramadol | 50-100 mg PO | 50-100 mg maximaal elke 4 uur (maximum 400 mg per dag) |
Evalueer het effect na 30-60 minuten na oraal, rectaal of subcutaan toegediende analgesie, en na 5-10 minuten na intraveneuze toediening van morfine en na 2-3 minuten na fentanyltoediening.
Aandachtspunten basismedicatie
Paracetamol
Voorzichtigheid is geboden bij ernstige leverfunctiestoornissen.
NSAID’s
De ulcerogene werking wordt versterkt door alcohol, corticosteroïden en SSRI’s indien NSAID langer dan 2 weken wordt gebruikt. Verhoogde kans op oudere leeftijd (> 60 jaar).
Contra-indicaties:
bekende overgevoeligheid;
eerdere maagbloeding of actief ulcus pepticum;
eerder optreden van astma-aanval, urticaria of angio-oedeem na gebruik NSAID of acetylsalicylzuur;
nierfunctiestoornis (creatinineklaring < 30 ml/min);
ernstig hartfalen;
zwangerschap.
Relatieve contra-indicaties:
gebruik van orale antistolling (acenocoumarol, fenprocoumon);
gebruik van ACE- of RAAS-remmer;
nierfunctiestoornissen;
gebruik van lithium, methotrexaat (verhoogt spiegels).
Protonpompremmers
Pantoprazol of esomeprazol (20-40 mg) wordt als profylaxe bij NSAID gebruik voorgeschreven indien de patiënt aan 1 of meerdere van de volgende criteria voldoet:
leeftijd > 60 jaar;
ulcus pepticum, maagbloeding of –perforatie in voorgeschiedenis;
gebruik van corticosteroïden;
stollingsstoornissen;
colitis ulcerosa, M. Crohn;
cerebro-, cardio-, of ernstige vasculaire aandoeningen;
diabetes, hartfalen, ernstige reumatische arthritis.
Opioïden
Contra-indicaties:
ademhalingsdepressie, ernstig obstructief longlijden, cyanose;
hersentrauma, verhoogde intracraniële druk, coma, convulsieve aandoeningen (relatief);
ileus (relatief).
Let op:
opiaatgeïnduceerde misselijkheid: gezien de lage incidentie in spoedpatiënten met pijn wordt preventief gebruik van anti-emetica ontraden;
subcutaan toegediende opioïden resorberen nauwelijks bij slechte perifere circulatie;
er is geen maximumdosering voor opioïden (m.u.v. tramadol);
opioïden hebben een sederend effect en geven ademhalingsdepressie bij overdosering. Antidotum: naloxon.
Specifieke patiëntgroepen
Zwangeren
Bij acute pijn tijdens zwangerschap gaat de voorkeur uit naar paracetamol. Paracetamol passeert de placenta, echter kortdurend gebruik tijdens de zwangerschap is relatief veilig. NSAID’s geven in eerste en begin tweede trimester een verhoogd risico op miskramen, hartafwijkingen en gastroschisis. Geef daarom alleen bij absolute noodzaak en dan slechts in lage doseringen. In 3de trimester gecontra-indiceerd vanwege mogelijke voortijdige sluiting van de ductus arteriosus Botalli, pulmonale hypertensie en bloedstollingsstoornis bij de foetus.
Ouderen
Gezien verhoogde kans op maag-darmstoornissen terughoudendheid met NSAID’s. Opioïden verhogen kans op delier en ademhalingsdepressie, bewaking van ademhaling noodzakelijk.
Kinderen
Paracetamol: 20 mg/kg/dosis of 90 mg/kg/dag verdeeld over 4 doses (max 4 g/dag).
Diclofenac: 3 mg/kg/dag in 2-3 dosis (max 150 mg/dag). (Niet bij astma, GI bloedverlies, leverfalen of nierfalen)
Ibuprofen: 20-30 mg/kg/dag PO in 3-4 dosis.
Fentanyl: 0,001 mg/kg/bolus IV (= 1 microgram/kg/bolus) evt. na 5-10 min 1x herhalen, onderhoudsinfusie 1-4 microgram/kg/uur.
Morfine: 0,1-0,2 mg/kg/bolus IV, rectaal à 2-4 uur.
Esketamine (Ketanest ® ): 0,25 mg/kg in 2 min IV, IM, z.n. na 10 min in ½ dosering herhalen.
Cave
Er is geen evidence voor het achterhouden van opioïden bij ongedifferentieerde buikpijn.
Ibuprofen remt mogelijk de werking van acetylsalicylzuur.
Bij een NPO-beleid bestaat er geen contra-indicatie tot geven van orale pijnmedicatie.
Bij braken of overige gastro-intestinale problematiek onbetrouwbare opname orale analgetica.
2.37 Rectoanale pijn pijn, rectoanale
Presentatie
Anamnese
Anale/rectale pijn, pijn bij zitten/defecatie, rectaal bloedverlies, obstipatie, purulente afscheiding, gewichtsverlies, verandering defecatiepatroon
Voorgeschiedenis
IBD, bestraling, SOA, hiv, tbc, Morbus Hodgkin en immuunsuppressie.
Lichamelijk onderzoek
Vitale parameters, buikonderzoek, inspectie anale gebied, RT.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.60.
DD rectoanale pijn
| Presentatie | Diagnose |
|---|---|
| Continue hevige perianale pijn, soms zwelling in de buurt van de anus, erger bij zitten en vóór defecatie. Soms koorts of malaise. Sommige abcessen zijn alleen bij RT palpabel of zelfs helemaal niet. | perianaal abces |
| Chronisch drainerende laesie, pijn bij defecatie, pruritus. Na eerder perianaal abces. Bij RT bloed/pus. | perianale fistel |
| Pijnlijke zwelling in de bilnaad. Pijn niet afhankelijk van defecatie. Vaak (maar niet altijd) fors behaarde mannen. | sinus pilonidalis |
| Hevige pijn bij defecatie, helderrood bloed op toiletpapier na afvegen. RT zeer pijnlijk, anusspasme. VG pruritus, obstipatie. | fissura ani |
| Pijnlijke zwelling in/bij anus VG hemorroïden (soiling, helderrood bloed op toiletpapier of ontlasting, pruritus, obstipatie). | getromboseerd hemorroïd |
Specifieke diagnoses
Fissura ani
Oppervlakkig scheurtje in het anoderm, meestal in de posterieure midline. Soms skin tag erbij. Geassocieerd met harde ontlasting.
Aanvullend onderzoek: niet noodzakelijk.
-
SEH-behandeling: warme zitbaden, zacht houden/maken feces, pijnstilling: lidocaïne-vaselinecrème 3% 2 dd en vóór elke defecatie. Bij chronische fissuur overwegen:
- Isosorbidedinitraat (ISDN)-crème 1% 4-6 dd gedurende 6 weken. Met name pijnstillend, gering effect op genezing. Bijwerking: hoofdpijn.
- Crème met Diltiazem 2% 4-6 dd gedurende 6 weken: minder bijwerkingen dan ISDN; nog onvoldoende gegevens bekend over genezend vermogen.
Getromboseerd hemorroïd
Hemorroïd = dilatatie van venen in de veneuze plexus of perianale randvene. Ze kunnen spontaan of bij persen prolaberen. Een extern getromboseerd hemorroïd schemert blauwpaars door, voelt vast aan en is acuut hevig pijnlijk.
Aanvullend onderzoek: is meestal niet noodzakelijk op de SEH.
-
SEH-behandeling: excideer stolsel bij getromboseerd hemorroïd:
- Overweeg PSA.
- Patiënt in zijligging, evt. hulp van derde bij expositie van de anus.
- Lokale (fieldblock) verdoving met lidocaïne waarna (ruim!) epileptoïde excisie van de huid boven het doorschemerend stolsel.
- Verwijder de stolsels, laat de wond open.
- Zitbadjes na defecatie, laxantia (bijv. lactulose) om brijige consistentie ontlasting te krijgen.
- Controle poli chirurgie 2 dagen.
- Overweeg verwijzing gastro-enteroloog bij rectaal bloedverlies en risicofactoren voor colorectaal carcinoom (lft > 50, positieve familieanamnese < 70 jaar, veranderd defecatiepatroon, bloed vermengd met ontlasting, afwijkingen bij RT).
Perianaal abces /fistel
Obstructie van een anale klier leidt tot abcedering (zie figuur 2.10). Kan zowel oppervlakkig als diep liggen/uitbreiden. Als een perianaal abces ontlast naar de huid (spontaan of iatrogeen) kan een fistelgang blijven bestaan.
Figuur 2.10.
Abcedering/obstructie anale klier

1 Perianaal abces; 2 Ischiorectaal abces; 3 Intersfincterisch abces; 4 Pelvirectaal abces; 5 Submucaosaal abces
-
Aanvullend onderzoek:
- Laboratoriumonderzoek alleen noodzakelijk bij verdenking bacteriëmie/sepsis. Op indicatie tests op chlamydia, hiv en tbc.
- Echografie/CT-bekken bij onduidelijkheid over diagnose of uitgebreidheid.
-
SEH-behandeling:
- Systemische tekenen van infectie/sepsis: vullen, antibiotica volgens protocol (bijv. cefuroxim 3 dd 750 mg + metronidazol 3 dd 500 mg + evt. gentamicine 1 dd 3-5 mg/kg).
- Klein en oppervlakkig abces kan evt. op de SEH geïncideerd en gedraineerd worden (evt. PSA). Pijnstilling, zacht houden/maken feces. Poliklinische wondcontrole na 1-2 dagen.
- Zeer laagdrempelig consult chirurgie voor incisie en drainage van een abces op de operatiekamer.
- Als geen systemische infectie antibiotica alleen in speciale omstandigheden: bijv. hartklepprothese (SBE-profylaxe), immuunsuppressie, uitgebreide cellulitis of diabetes.
- Rustige fistel: expectatief, verwijzing naar polikliniek heelkunde voor verdere analyse.
Cave: overleg/verwijzing gastro-enteroloog bij verdenking Inflammatory Bowel Disease.
Sinus pilonidalis
Ontstekingsproces in de bilspleet ten gevolge van ingegroeide haren, vaak leidend tot een abces.
Aanvullend onderzoek: niet noodzakelijk. Bij twijfel over abcesvorming overweeg punctie of echografie ter uitsluiting/bevestiging.
SEH-behandeling: als abces (fluctuatie) dan incisie en drainage. Onrustige sinus pilonidalis, maar geen abces: herbeoordeling na 1-2 dagen voor herbeoordeling mogelijk abcesvorming. In de tussentijd warme zitbaden/douchen.
2.38 Ritmestoornissen
Voor de acute behandeling is voornamelijk het onderscheid tussen bradycardie en tachycardie, en regelmatig of onregelmatig belangrijk. Voor een diagnose van het desbetreffende ritme met de daarbij behorende etiologie zie het herkennen van ritmestoornissen.
Bradycardie
Hartfrequentie < 60/min.
Presentatie: palpitaties, licht gevoel in het hoofd, pijn op de borst, dyspnoe, zweten, duizeligheid en syncope. Tekenen van instabiliteit: bewustzijnsverandering, hypotensie (SBP < 90 mmHg), tekenen van hartfalen, ventriculaire aritmie. Vraag naar gebruik medicatie (o.a. bètablokkers, calciumantagonisten, digoxine) en sportgewoontes.
-
Aanvullend onderzoek:
- ECG
- Laboratorium alleen op indicatie: elektrolyten incl. Ca en Mg, schildklierfuncties
- X-thorax alleen op indicatie
SEH-behandeling
Opname/ontslag: over het algemeen zullen klachtenvrije, ABCD-stabiele patiënten met een bradycardie op basis van te hoge dosering bètablokkers naar huis ontslagen worden na bijstelling van de medicatie. Overige patiënten hebben een opname-indicatie met minimaal ritmebewaking. Patiënten met tekenen van cardiale ischemie als oorzaak van de ritmestoornis moeten als ACS worden behandeld.
Figuur 2.11.

SEH-beleid bradycardie
Tachycardie
Hartfrequentie > 100/min.
Supraventriculaire tachycardie (SVT): ectopisch hartritme ontstaan boven de bundel van HIS.
Ventriculaire tachycardie (VT): hartritme met origine onder de AV-knoop, QRS > 120msec.
Presentatie: palpitaties, licht gevoel in het hoofd, pijn op de borst, dyspnoe, zweten, duizeligheid en syncope. Tekenen van instabiliteit: bewustzijnsverandering, POB, hypotensie (SBP < 90 mmHg), tekenen van hartfalen.
-
Aanvullend onderzoek
- ECG: als type tachycardie niet te bepalen is, behandel als VT.
- Lab alleen op indicatie: elektrolyten incl calcium en magnesium, schildklierfuncties.
- X-thorax alleen op indicatie.
SEH-behandeling
Opname/ontslag: over het algemeen kunnen ABCD-stabiele patiënten bij wie een SVT gecoupeerd is na een korte periode van observatie naar huis ontslagen worden. Overige patiënten hebben een opname-indicatie met minimaal ritmebewaking. Patiënten met tekenen van cardiale ischemie als oorzaak van de ritmestoornis moeten als ACS behandeld worden.
Figuur 2.12.

SEH-behandeling tachycardie
2.39 Rugklachtenrugklachten
De meeste patiënten met (lage) rugpijn hebben pijn door musculoskeletale oorzaken. Belangrijk is om het onderscheid met maligniteit, infectie of referred pain te maken en om neurologische uitval te signaleren.
Presentatie
Anamnese
Aard, duur, lokalisatie en uitstraling van de pijn. Ontstaan, trauma, gewichtsverlies. Neurologische symptomen: sensibiliteitsuitval, krachtsverlies, incontinentie.
Oorzaken
Gebruik corticosteroïden/immunosuppressiva, DM, maligniteit, IV druggebruik, recente bacteriële infectie of osteoporose.
Lichamelijk onderzoek
Algemeen onderzoek inclusief vitale parameters en lymfeklieren, inspectie rug, blaasretentie. Op indicatie (verdenking maligniteit) onderzoek mammae of prostaat. Neurologisch: kracht, reflexen, sensibele niveaubepaling (tabel 2.55), perianale anesthesie, rectaal toucher ter beoordeling sfinctertonus. Lasègue sensitief maar niet specifiek, gekruiste Lasègue 90% specifiek maar niet sensitief voor radiculaire prikkeling.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.61.
DD rugklachten
| Presentatie | Diagnose |
|---|---|
| trauma, lokale drukpijn midline, VG: chronisch steroïdengebruik |
• wervelfractuur • spondylolysis/spondylolisthesis |
| koorts, IV drugs, immuungecompromitteerd | infectie (abces/osteomyelitis/spondylodiscitis) |
| leeftijd > 50 jaar, VG: maligniteit, gewichtsverlies | tumor (metastase of multipel myeloom) |
| bilaterale pijn benen, parese benen, incontinentie, blaasretentie, perianale (‘rijbroek’) anesthesie, verlies sfinctertonus, leeftijd > 50 jaar, VG: maligniteit, gewichtsverlies | caudasyndroom |
| parese, verminderde reflexen, sensibel niveau | myelumcompressie |
| pijn langs posterior/lateraal aspect been tot onder de knie, erger bij hoesten/niezen/persenLasègue, beoordeling L5 en S1 | hernia nuclei pulposi (HNP, radiculaire prikkeling) |
|
aspecifieke (lage) rugpijn:• myogeen • artrose • lumbago |
|
| buikklachten, dysurie, hematurie |
referred pain:• AAA/dissectie • cholecystitis • pancreatitis • GI ulcera • urolithiasis • pyelonefritis |
Aanvullend onderzoek
Voor aspecifieke rugklachten hoeft geen aanvullend onderzoek verricht te worden.
Laboratorium: verdenking infectie leukocyten, BSE; verdenking maligniteit BSE, LDH, PSA; verdenking viscerale oorzaak infectieparameters, leverfuncties, bilirubine, amylase, sediment, echo abdomen.
-
X-WK en evt. CT is geïndiceerd bij:
- verdenking infectie;
- leeftijd > 70 jaar;
- ernstige of progressieve neurologische uitval;
- VG: maligniteit, trauma of osteoporose.
X-thorax bij verdenking aortadissectie heeft een erg lage sensitiviteit, bij verdenking is een CT geïndiceerd.
MRI bij verdenking myelumcompressie (ICC neuroloog/neurochirurg).
SEH-behandeling
Tabel 2.62.
SEH-behandeling rugklachten
| Diagnose | Consult | Behandeling |
|---|---|---|
| aspecifieke rugpijn, HNP zonder parese | prognose goed, meestal beter in 2-6 weken, z.n. controle huisarts | In beweging blijven, pijnstilling (paracetamol, NSAID’s of tramadol), z.n. benzodiazepine (diazepam 3-4 dd 2 mg PO). Manuele therapie of acupunctuur mogelijk positief effect. Warmte/koude applicatie, massage of yoga zijn niet evidence based. Fysiotherapie en specifieke oefeningen niet in het acute stadium. |
| fractuur/spondylolysis/spondylolisthesis | ICC orthopedie | |
| HNP met parese, caudasyndroom of verdenking tumor/infectie | ICC neuroloog/neurochirurg | Ruggenmergcompressie door maligniteit: corticosteroïden (dexamethason 10-100 mg). Vaak is radiotherapie geïndiceerd. |
| Spinale infecties: start intraveneuze antibiotica volgens lokaal protocol (bijv. flucloxacilline 6 dd 1000-2000 mg + aminoglycoside 1 dd 3-5 mg/kg IV). |
Opname/ontslag
Ontslag: aspecifieke rugpijn, HNP zonder parese. Controle huisarts 2-3 weken. HNP met lichte parese poliklinische follow-up neurologie. Wervelfracturen poliklinische follow-up orthopedie. Retour bij koorts, (progressieve) parese, incontinentie.
Opname-indicatie voor patiënten met ruggenmergcompressie, infecties.
Cave
Bij een kind met rugklachten dient altijd aanvullend onderzoek te worden gedaan i.o.m. kinderarts/orthopeed.
2.40 Scrotum, pijn, zwelling
Differentiaaldiagnose
Epididymitis/orchitis (tabel 2.63).
Torsio testis (tabel 2.63)/appendix testis.
(Beklemde) liesbreuk.
Infectie huid of subcutis (abcessen, gangreen van Fournier).
Haematocele/hydrokèle.
Testistumor.
Idiopathisch scrotaal oedeem.
Tabel 2.63.
DD torsio testis, epididymitis/orchitis
| Torsio testis | Epididymitis/orchitis |
|---|---|
| acute hevige pijn | acuut of langzaam progressief |
| eerdere episodes | elevatie scrotum verlicht |
| geen mictieklachten | mictieklachten |
| cremasterreflex unilateraal afwezig | hyperemie op echo/Doppler |
| verminderde flow bij echo/Doppler |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: leuko, CRP.
Urineonderzoek: sediment.
Echografie: bij verdenking beklemde liesbreuk, torsio testis.
SEH-behandeling
Wacht niet op uitslagen als de kliniek duidelijk wijst op een urgent probleem als Fournier, torsio of beklemde liesbreuk. Overweeg pijnstilling (fentanyl 1 mcg/kg IV) en geef een waaknaald.
Acute epididymitis en orchitisorchitis
Presentatie: per acuut (cave torsie) of gradueel begin pijnklachten, koorts, dysurie en zwelling van scrotum. Pijn verlicht door elevatie van het scrotum. VG: SOA, scopie of katheter, UWI, prostatisme klachten. Zie ook tabel 2.64.
Tabel 2.64.
Etiologie acute epididymitis en orchitis
| < 35 jaar, seksueel actief | SOA (gonorrhoea, chlamydia), viraal (bof) |
| > 35 jaar | Obstructief urologisch probleem met cystitis (E. coli, Klebsiella, Pseudomonas), na urologische manipulatie bijv. katheter |
| Cave | Schimmels (cryptococcus bij bijv. hiv geïnfecteerden), parasitair, medicatie (amiodaron) |
-
Aanvullend onderzoek:
- Bloedonderzoek: leuko, CRP.
- Urineonderzoek: sediment, bacteriurie/pyurie, leukocytose.
- Microbiologie: grampreparaat urine, urinekweek, urethrale smear/PCR voor gonokokken en chlamydia.
- Echografie z.n. gericht op andere oorzaken.
-
SEH-behandeling:
- Ondersteunende maatregelen: bedrust, analgetica, suspensoir.
- Antibiotica: man < 35 jaar: start empirische behandeling voor gonokokken en chlamydia: doxycycline 2 dd 100 mg 10 dagen en ceftriaxon 250 mg IM eenmalig. Vermoeden darmflora/UWI of man > 35 jaar: ofloxacine 2 dd 200-400 mg 10 dagen en ceftriaxon 250 mg IM eenmalig.
- Follow-up voor veranderen antibiotica op geleide van de uitslagen.
- Informeren seksuele partners vanaf 6 weken vóór het begin van de klachten.
Torsio (appendix) testistorsio (appendix) testis
Bij een volledige afsluiting van de arteriële bloedaanvoer is de testis binnen 2 uur irreversibel beschadigd. Meestal is de afsluiting echter niet volledig. Repositie < 4 uur na begin klachten geeft bijna 100% genezing, repositie 4-24 uur geeft 50% behoud testis. Ondanks behoud toch schade in de vorm van minder volume en kwaliteit sperma.
Presentatie: plots ontstaan van hevige scrotale of abdominale pijn (in 25% niet-acuut of matige pijn), vaak al eerdere episodes (intermitterende torsio). Geen mictieklachten. Soms vagale reactie op pijn: misselijk en braken. LO: Soms koorts (15%), testis kan hoog en dwars liggen en gezwollen zijn, cremaster reflex afwezig, oedeem scrotum. Torsio van de testiculaire appendix/hydatide van Morgagni is in het beginstadium goed te onderscheiden door de zeer lokale klachten en doorschemering van een kleine blauwige zwelling.
-
Aanvullend onderzoek:
- Urinesediment normaal.
- Echo/Doppler: verminderde flow, sensitiviteit matig (82%). Cave normale flow bij incomplete torsie.
- Scintigrafie: getordeerde zijde komt niet of minder op. Bij inflammatie zal dit juist meer zijn tov de niet aangedane zijde. Cave hyperemie bij spontane detorsie.
-
SEH-behandeling:
- Pijnstilling.
- (Snelle) chirurgische exploratie is de eerste keuze als de diagnose torsio testis vermoed wordt.
- Manuele detorsie: handmatig terugdraaien van de testis (links met klok mee, rechts tegen klok in. Als ‘boek openen’) onder sedatie en IV pijnstilling kan een optie zijn als exploratie op OK op zich laat wachten. Als de pijn verdwenen is en goede flow zichtbaar met Doppler, kan orchidopexie electief gepland worden.
- Torsio appendix testis: als diagnose zeker is dan pijnstilling en expectatief beleid.
Opname/ontslag: opname bij OK-indicatie. Ontslag voor zekere torsio appendix testis.
2.41 Shock, kind
Eerste beoordeling en resuscitatie volgens ABCDE van het ernstig zieke kind. Zoek naar tekenen die wijzen op een bedreigde circulatie (figuur 10.1007/978-90-313-8417-4_1#Fig6), waarbij hypotensie een preterminaal teken is.
AMPLE en anamnese gericht op onderliggende oorzaken.
Top-teenonderzoek: andere factoren die wijzen op een onderliggende oorzaak.
Tabel 2.65.
Normaalwaarden vitale parameters
| Leeftijd in jaren | Ademfrequentie/min | Polsfrequentie/min | Bloeddruk systolisch |
|---|---|---|---|
| < 1 | 30-40 | 110-160 | 70-90 |
| 1-2 | 25-35 | 100-150 | 80-95 |
| 2-5 | 25-30 | 95-140 | 80-100 |
| 5-12 | 20-25 | 80-120 | 90-110 |
| > 12 | 15-20 | 60-100 | 100-120 |
Tabel 2.66.
Oorzaken shock (vet gedrukt zie ook verder in deze paragraaf) en behandelingsrichting
| Oorzaak | Behandelingsrichting | |
|---|---|---|
| hypovolemisch | bloedverlies (trauma) | vullen, evt. bloed, stoppen bloeding |
| gastro-enteritis | vulling | |
| invaginatie | vulling, chirurgie | |
| volvulus | vulling, chirurgie | |
| brandwonden | vulling | |
| peritonitis | vulling, chirurgie | |
| distributief | sepsis | vulling, antibiotica, z.n. focuscontrole met chirurgie, z.n. inotropie |
| anafylaxie | adrenaline | |
| vasodilaterende medicatie | stoppen medicatie, inotropie | |
| dwarslaesie | vullen, vasopressor | |
| cardiogeen | ritmestoornissen | ritmemedicatie/elektracardioversie |
| cardiomyopathie | inotropie, diureticum | |
| hartfalen | inotropie, diureticum, evt. chirurgie | |
| kleplijden | inotropie, diuretica, chirurgie | |
| myocardcontusie | inotropie, nauwlettend vochtbeleid, evt. cardiochirurgie (structureel letsel) | |
| myocardinfarct | inotropie, interventie i.o.m. cardioloog | |
| obstructief | spanningspneumothorax | decompressie |
| hematopneumothorax | thoraxdrain | |
| harttamponnade | pericardpunctie | |
| longembolie | overweeg trombolyse | |
| dissociatief | ernstige anemie (hemolyse, sikkelcelcrisis, malaria) | bloedtransfusie, behandel onderliggende oorzaak |
| CO-intoxicatie | hoge flow zuurstof | |
| methemoglobinemie | methyleen blauw 1 mg/kg IV, evt. (wissel) bloedtransfusie | |
Meest voorkomende oorzaken
Gastro-enteritis/diarree, sepsis, spanningspneumothorax en hematopneumothorax.
SEH-behandeling
Vochtbolus, behalve als hartfalen als hoofdoorzaak herkend is. NaCl 0,9% of Ringers lactaat 20 ml/kg/bolus. Beoordeel het effect en z.n. herhalen bolus.
Bij trauma beheerst vullen op geleide van bewustzijn. Overvulling kan de bloeding verergeren. Niet streven naar normale systolische waarden!
Bij non-trauma overweeg intubatie en beademing bij > 40-60 ml/kg ter voorkoming/bestrijding van longoedeem.
Overweeg het starten van inotropie na 40 ml/kg (zie tabel). Start alvast op een perifeer infuus. Breng later ook een centrale lijn in, na intubatie. Streef CVD 4-10 cm.
Monitor vitale parameters continu.
Specifieke ziektebeelden
Bradycardiebradycardie
< 60 /min met tekenen van slechte perfusie.
SEH-behandeling: hartmassage, overweeg vochtbolus. Adrenaline bolus, daarna continu IV. Overweeg pacing. Evt. bij vagale prikkeling atropine. Bradycardie met slechte perfusie is bij kinderen vaak een preterminaal teken en een voorbode van asystolie. Denk aan de 4 H’s en 4 T’s om de behandelbare oorzaken te herkennen.
Breed complex SVT
Zeer zeldzaam bij kinderen. Onderscheid met VT moeilijk. Adenosine kan differentiëren.
Ritmestoornissen met shock
Indien geen pulsaties voelbaar, dan zie algoritmen.
Indien ritmestoornissen en hemodynamisch stabiel: AMPLE, maak ECG en consulteer meteen de kinderarts.
Voor doseringen genoemde middelen zie tabel 2.68 en 2.69.
Tabel 2.68.
Inotropie: eigenschappen inotropica
| Inotroop | Chronotroop | Vasoconstrictie | Vasodilatatie | |
|---|---|---|---|---|
| epinefrine (adrenaline) | +++ | ++ | ++ | + |
| dopamine | ++ | ++ | ++ | 0 |
| dobutamine | +++ | ++ | 0 | ++ |
| noradrenaline | + | 0 | +++ | 0 |
Tabel 2.69.
Inotropie: doseringen bij shock*
| Indicatie | Dosering | Opmerkingen | |
|---|---|---|---|
| epinefrine (adrenaline) | inotropie | 0,05-2,0 µg/kg/min IV | Kan als overbrugging tot ander middel dienen.1 mg in 10 ml = 1:10.000 oplossing |
| anafylaxie | 10 µg/kg im | 10 µg = 0,1 ml 1:10.000 oplossing1 mg in 1 ml = 1:1000 oplossing1 ml 1:1000 + 9 ml NaCl = 10 ml1:10.000 oplossing | |
| dopamine | inotropie | 2-10 µg/kg/min IV | effect afhankelijk van dosering |
| vasopressie | 10-20 µg/kg/min IV | ||
| dobutamine | inotropie | 2,5-20 µg/kg/min IV | bij relatieve hypovolemie → hypotensie |
| noradrenaline | vasopressor | 0,05- 2,0 µg/kg/min | vaak combinatie met inotropicum |
* Bij reanimaties zie reanimatie, kind.
Plaats huidkwaddels op de aangegeven zwarte punten. Van daaruit veld anesthesie aanleggen, waarbij de horizontale lijn zo dichtbij mogelijk bij de basis van de penis wordt gelegd. Naar: Reichman, Simon Emergency Procedures McGrawhill.
A. incisie op plaats stippellijn.
B. de voorhuid zal open gaan staan in ruitvorm.
C. na reductie van de voorhuid kan de incisie gesloten worden.
A en B Knip met een tang (bijv. knabbeltang) het sluitertje door, daar waar het van buitenste naar binnenste deel overgaat.C Losknippen rits van kleding (lange stippellijnen), daarna tussen de tanden (pijltjes).
1 Perianaal abces; 2 Ischiorectaal abces; 3 Intersfincterisch abces; 4 Pelvirectaal abces; 5 Submucaosaal abces
Sepsis met shock +/- hypotensie
Meest voorkomende oorzaken als er geen andere duidelijke diagnose voor het circulatoire probleem is: trauma, anafylaxie of intoxicatie. Zie ook bij koorts, kind.
-
SEH-behandeling:
- Naast algemene behandeling geef vochtbolus (20 ml/kg) in 5 minuten en controleer het effect zoals normalisatie van hartfrequentie, correctie van hypotensie (indien aanwezig!), normalisatie van bewustzijn.
-
Indien onvoldoende resultaat na 2de vochtbolus:
- start inotropie en/of vasopressie (tabel 2.69): voorkeur dopamine, start op perifeer infuus (of botnaald) zolang CVL niet voor handen is en luchtweg gezekerd;
- intubatie en beademing;
- Overleg over de verdere behandeling en overplaatsing met de regionale PICU (pediatrische intensive care unit).
- Continueer de vochtbolussen (ook na het starten van inotropie/vasopressie).
- Streef in het eerste uur naar normalisatie van de hartfrequentie, correctie van eventuele hypotensie, normalisatie van het bewustzijn en daling van het lactaat. Indien voor handen, streef naar CVD tussen 4 en 10.
- Bij onvoldoende resultaat van continue vochtbolussen en cardiotonica, geef hydrocortison (relatieve bijnierinsufficiëntie): 1 mg/kg IV.
- Neem bloedkweken af en start antibiotica. Ceftriaxon 100 mg/kg/dag 1 dd max 4 g IV per dag. Neonaat eerste twee levensweken: 50 mg/kg/dag 1 dd.
- Het is bij oncologische patiënten goed om te starten met ceftriaxon, overleg daarna met de kinderarts/oncoloog over eventuele aanpassingen aan de antibiotica en denk aan een stressdosering corticosteroïden indien het kind het voorafgaande half jaar met steroïden is behandeld.
SVT
Smal complex. Vaak > 220/min zuigelingen, oudere kinderen lager. Differentieer sinustachycardie van SVT (tabel 2.67).
Tabel 2.67.
Differentiatie sinustachycardie en SVT
| Sinustachycardie | SVT | |
|---|---|---|
| frequentie | meestal < 200/min | zuigelingen > 220/min |
| frequentie constant | variabel (stimulus, ademhaling | constant |
| P toppen II, III, aVF | positief | negatief |
| begin/einde | geleidelijk | abrupt |
| onderliggende oorzaak | altijd (angst, infectie, shock) | kan spontaan optreden |
-
SEH-behandeling:
- Moribund: ECV gesynchroniseerd 0,5-1 J/kg, z.n. herhalen ECV met 2 J/kg en overweeg antiarrhythmica.
- Niet moribund: adenosine, z.n. herhalen. Indien niet succesvol overwegen ECV onder sedatie of antiarrhythmica in overleg.
Torsade de Pointes
Brede polymorfe complexen. Secundair aan congenitaal verlengd QT syndroom, verlengd QT door medicatie/intoxicatie.
SEH-behandeling: MgSO4 IV.
VT met shock
Voor VT zonder output zie VF-protocol (figuur 10.1007/978-90-313-8417-4_1#Fig13). Vaker secundair optredend itt SVT. Regulair, brede complexen.
Differentiaaldiagnose: aangeboren hartafwijkingen/ hart OK, intoxicaties, nierinsufficiëntie met hyperkaliëmie, elektrolytstoornissen (Mg 2+, Ca 2+), lang QT syndroom.
SEH-behandeling: ECV gesynchroniseerd 0,5-1 J/kg. Z.n. met sedatie. Indien apparaat QRS complex niet herkent en dus niet ontlaadt, dan asynchroon met 0,5-2 J/kg. Antiarrhythmica alleen in overleg. Bij voorkeur bij (verdenking ) intoxicatie geen medicatie maar ECV.
Doseringen antiarrhythmica
Adenosine 100 µg/kg snelle bolus IV, gevolgd door snelle flush. Z.n. herhalen met 250 µg/kg. Cave hypotensie, tachycardieversnelling, pijn op de borst.
Amiodaron 5 mg/kg IV in 30 minuten. Bij recidiverende atriale tachycardieën.
Digoxine dosering alleen in overleg.
Flecaïnide 2 mg/kg IV in 20 minuten. Bij WPW syndroom. Niet bij bètablokkers.
Verapamil (Isoptin ®) dosis in overleg. CI < 1 jaar en β blokkers
Propranolol 50 µg/kg langzaam IV. Kan asystolie geven. Pacingmogelijkheden klaar zetten. CI samen met verapamil.
Doseringen en eigenschappen vasoactieve medicatie bij kinderen
2.42 Shock, volwassene
Hypotensie: SBD < 90 mmHg, MAP < 65 mmHg of daling van de SBD > 40 mmHg.
Shock : onbalans van O2-aanvoer t.o.v. het O2-gebruik in de weefsels. Verminderde weefselperfusie leidt tot cellulaire hypoxie en ontsporing van de biochemische processen op cel- en systemisch niveau. Deze effecten zijn aanvankelijk reversibel mits snel herkend en adequaat behandeld.
Tabel 2.70.
Stadia van shock
| gecompenseerde shock |
• asymptomatisch in de tevoren gezonde patiënt • tachycardie, bleke huid, verkleining polsdruk |
| shock | hypotensie, bleke/klamme huid (soms hyperemisch en warm), transpiratie, onrust/verwardheid, oligurie, acidose |
| eind orgaanfalen | nierfalen, leverfalen, hartfalen, coma |
Presentatie
Anamnese
Varieert met de oorzaak en het stadium van shock. Vraag naar: trauma, dyspnoe, hoesten, koorts, braken/diarree, buikpijn, nekpijn, huiduitslag, jeuk, bloedverlies, pijn op de borst, palpitaties, dysurie, urineproductie, medicatie, voorgeschiedenis, allergieën. Ook risicofactoren veneuze trombo-embolie.
Lichamelijk onderzoek
Vitale functies, capillaire refill, CVD, turgor, crepitaties, huidskleur en -temperatuur, bewustzijnsniveau, orthostase.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.71.
Type en mogelijke oorzaken shock
| Symptomen | Type shock | Oorzaken |
| bloed/vochtverlies, verlaagde huidturgor, droge slijmvliezen, orthostase. | hypovolemisch |
bloedverlies• trauma • gastro-intestinale bloeding • AAA/dissectie • EUG vochtverlies • brandwonden • braken/diarree • pancreatitis |
| dyspnoe, POB, refill > 2 sec. | cardiogeen |
• AMI • hartfalen • myocarddepressie bij sepsis/na ischemie/trauma • ritmestoornissen • klepvitia • hartruptuur |
| verhoogde CVD, refill > 2 sec. | obstructief |
• longembolie • spannings(hemato)pneumothorax • harttamponnade |
| hyperemie, refill < 2 sec, petechiën, soms koorts en andere tekenen van infectie. | distributief |
• sepsis/SIRS • intoxicatie • anafylactische/allergische reactie) • Addison crise • neurogene shock |
| dissociatief |
• ernstige anemie • CO-intoxicatie • methemoglobinemie |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: VBB, elektrolyten, nierfunctie, leverfunctie, glucose, amylase, cardiale enzymen, lactaat, bloedgas, INR, PTT. Bloedkweken bij koorts of hypothermie. Kruisbloed en stolbloed.
Toxicologie op indicatie.
Urineonderzoek: sediment, zwangerschapstest (bij vrouwen 10-55 jaar). Urinekweek op indicatie.
CAD: meten urineoutput (oligurie als < 30 ml/uur).
-
ECG: ritme, ischemie, tekenen van hypothermie/longembolie/elektrolytstoornissen.
- Beeldvorming: X-thorax (infiltraat, pneumothorax, dissectie, cardiomegalie, stuwing).
- Echo op de SEH kan snel uitsluitsel geven over vrij vocht in de buik, AAA, intra-uteriene graviditeit, of harttamponnade.
- CT abdomen/thorax/cerebrum op indicatie bij gestabiliseerde patiënt.
LP op indicatie.
SEH-behandeling algemeen
Zuurstof 15 l NRM.
Zie ABCDE-schema.
Vloeistofbolus bij ongedifferentieerde shock geïndiceerd: 10-20 ml/kg 0,9% NaCl of Ringers lactaat. Beoordeel effect, z.n. herhalen. Geen vloeistofbolus bij ritmestoornis of hartfalen als oorzaak shock. Vocht zo mogelijk warm toedienen.
Vasoactieve medicatie geeft positieve inotropie en/of vasoconstrictie, zie tabel 2.72. Overweeg vasoactieve medicatie pas na vulling (40 ml/kg).
Voorkom hypothermie.
Tabel 2.72.
Advies keuze vasoactieve medicatie
| Oorzaak shock | Middel | Alternatief |
|---|---|---|
| Hypovolemie | Geen vasoactieve medicatie gebruiken maar vullen | |
| anafylaxie |
adrenaline • bolus 0,1 mg IV (1 ml 1:10.000 oplossing) • pomp 0,02 ug/kg/min |
noradrenaline 0,1-1 ug/kg/min |
| cardiogeen |
• SBP < 80 noradrenaline 0,1-1 ug/kg/min • SBP > 80 dobutamine 2-20 ug/kg/min |
|
| Obstructief | Dobutamine 5 ug/kg/min | noradrenaline 0,1-1 ug/kg/min |
| Neurogeen | noradrenaline 0,1-1 ug/kg/min | |
| SIRS/sepsis | noradrenaline 0,1-1 ug/kg/min | dobutamine 5 ug/kg/min |
| Intoxicatie | noradrenaline 0,1-1 ug/kg/min | |
Opname
Na hemodynamische instabiliteit is opname op een bewaakte afdeling geïndiceerd, afhankelijk van de diagnose op IC of CCU.
2.43 Stridor, kindstridorkind
Teken van partiële bovensteluchtwegobstructie. Vanwege de nauwe bovenste luchtweg kan vooral bij kleine kinderen een obstructie ernstig verlopen en snel progressief zijn. Bij een totale obstructie is er geen luchtverplaatsing en dus ook geen hoesten of stridor hoorbaar.
Etiologie
Viraal, bacterieel, congenitaal (laryngomalacie), trauma, tumor, allergisch, corpus alienum.
Specifieke ziektebeelden
Anafylaxieanafylaxie
Zie allergische reactie kind.
Bacteriële tracheïtisbacteriële tracheïtis
Bacteriële of pseudomembraneuze kroep. Zeldzaam.
Presentatie: ophoesten van pus, stridor lijkt op kroep met blafhoest. Met (soms ernstig) ziek zijn en hoge koorts. Géén slikproblemen.
-
SEH-behandeling:
- AB: Zuurstof. > 80% heeft intubatie nodig. Intubatie bij voorkeur onder gecontroleerde omstandigheden door anesthesist op OK.
- Antibiotica: flucloxacilline 4 dd 25 mg/kg (max 2 g/dosis) IV plus cefotaxime 4 dd 50 mg/kg (max 2 g/dosis) IV.
Opname/ontslag: Opname of overplaatsing naar (P)ICU.
Corpus alienumcorpus alienum
Presentatie: vaak < 3 jaar, plots begin, niet ziek, geen koorts. Soms stridor en wheezing.
Aanvullend onderzoek: evt. X-thorax (zowel in- en expiratiestand, ventielwerking kan hiermee zichtbaar worden)/ laterale hals foto kan een corpus alienum laten zien.
-
SEH-behandeling:
- Bij totale obstructie en bewustzijnsverlies: zie verstikkingsalgoritme.
- Bij bewustzijn: laten zitten, ICC KNO arts/anesthesist voor verwijderen met scoop na inhalatie-inductie.
Epiglottitisepiglottitis
Bacterieel infect, sinds Haemophilus influenzae B-vaccinatie zeldzaam, maar komt nog steeds voor, ook bij gevaccineerde kinderen.
Presentatie: snel progressieve, zachte stridor, kwijlen (kan slijm niet wegslikken), hoest niet, voorkeurshouding is rechtop zittend, ernstig ziek kind, hoge koorts > 39 °C.
-
SEH-behandeling:
-
Bij bewustzijnsverlies/totale obstructie zie algoritme luchtwegobstructie/BLS/ALS. Bij absolute noodsituatie:probeer met maskerballon met positieve druk iets in de longen te krijgen. Zo niet, probeer intubatie met kleine tube (bijv. maat 2,5), bij mislukken:naaldconiotomie.
- Laat direct HULP halen : kinderarts en anesthesist/intensivist en indien nodig chirurg/kno-arts (diegene die noodtracheotomie bij kind kan doen).
- Stress niet verhogen: laten zitten, alleen O2 toedienen indien niet bedreigend.
- Luchtwegmanagement door anesthesist, set voor chirurgische ademweg bij de hand.
- Antibiotica: amoxicilline/clavulaanzuur 4 dd 25-50 mg/kg IV of (2de keus) cefotaxim 4 dd 50-100 mg/kg (max 2 g/dosis).
-
Pertussis (kinkhoest )
Bacterieel. Vaccinatie en/of doormaken infectie geeft géén levenslange immuniteit.
Presentatie: bij verkoudheidsklachten > 2 weken diagnose overwegen. Typisch: lange hoestaanvallen met cyanose, hierbij erg benauwd waarna een gierende inspiratoire stridor. Soms met kokhalzen en braken. Atypisch beloop: vaak bij gevaccineerde kinderen. Complicaties (6% gemiddeld en 24% bij < 6 maanden): apneu, pneumonie, gewichtsverlies door slecht eten en braken, ook insulten en overlijden komt voor, met name bij jonge zuigelingen. Door drukverhoging: pneumothorax, epistaxis, subconjunctivale bloedingen, subduraal hematoom, rectum prolaps, urine incontinentie en zelfs spontane ribfracturen.
Aanvullend onderzoek: bevestigen diagnose met PCR of kweek op Bordetella. Indien bevestigd, dan melden in het kader van Infectiewet aan GGD arts/infectioloog.
(SEH)-behandeling: antibiotica, azitromycine 1 dd 10 mg/kg voor 3 dagen.
Opname/ontslag: opname vaak noodzakelijk bij zuigelingen. Bij slecht voeden, hypoxie, bradycardie tijdens hoestaanval, ouders zien het niet zitten.
Cave: isolatie.
Pseudokroep
Laryngitis subglottica . Viraal infect. Meest voorkomend.
Presentatie: leeftijd 6 mnd tot 5 jaar (2-3 jaar). Niet ziek, soms alleen verkouden, vroeg in de nacht huilend wakker, benauwd, inademen gaat moeilijk en met een gierend geluid (stridor). Luide blafhoest (zeehond), soms hees. De temperatuur is normaal of < 38,5°.
Differentiaaldiagnose: bij hoge koorts of septisch kind, overweeg alternatieve diagnose zoals bacteriële tracheïtis of epiglottitis . Bij niet gevaccineerd kind en endemisch gebied overweeg difterie.
SEH-behandeling
Tabel 2.73.
SEH-behandeling pseudokroep
| Mild | Matig | Ernstig/levensbedreigend | |
|---|---|---|---|
| symptomen | stridor alleen bij stress/huilen | stridor in rust, tachypnoe, milde intrekkingen, mogelijk iets verminderd ademgeruis, kan praten, saturatie is > 92% | stridor, tachypnoe, intercostale/subcostale/sternale intrekkingen, onrustig, verminderd ademgeruis, praten niet mogelijk/cyanose, zweten, EMV verlaagd |
| O2 | niet | niet | NRM-streefsaturatie > 95% |
| vernevelen | niet* | Budesonide ** | Budesonide z.n. à 30-60 minEpinefrine (adrenaline) alleen ter overbrugging tot intubatie |
| medicatie | dexamethason PO eenmalig | dexamethason ** PO, IM of IV (minst invasief) | Dexamethason IV |
| opname/ontslag | naar huis, goede hydratie, kan volgende avond opnieuw optreden, retour bij stridor in rust | naar huis als stridor in rust weg is en blijft na 2 uur observatie, verder zie mild | z.n. intubatie (1-3%), (anesthesist) en beademing |
* Eenmalig vernevelen met Budesonide kan ook effectief zijn i.p.v. dexamethason PO** Kies budesonide of dexamethason, niet beide geven
Plaats huidkwaddels op de aangegeven zwarte punten. Van daaruit veld anesthesie aanleggen, waarbij de horizontale lijn zo dichtbij mogelijk bij de basis van de penis wordt gelegd. Naar: Reichman, Simon Emergency Procedures McGrawhill.
A. incisie op plaats stippellijn.
B. de voorhuid zal open gaan staan in ruitvorm.
C. na reductie van de voorhuid kan de incisie gesloten worden.
A en B Knip met een tang (bijv. knabbeltang) het sluitertje door, daar waar het van buitenste naar binnenste deel overgaat.C Losknippen rits van kleding (lange stippellijnen), daarna tussen de tanden (pijltjes).
1 Perianaal abces; 2 Ischiorectaal abces; 3 Intersfincterisch abces; 4 Pelvirectaal abces; 5 Submucaosaal abces
-
Dosering medicatie pseudokroep:
- Budesonide 2 mg per keer vernevelen.
- Epinefrine (adrenaline) 5 mg per verneveling, ongeacht gewicht. Bij oplossing 1:1000 1 ml = 1 mg.
- Dexamethason eenmalig 0,6 mg/kg, maximaal 10 mg PO. Smaakt vies, eventueel IV oplossing aanlengen met siroop.
Retrofaryngeaal of peritonsillair abces
Presentatie: vooral 2-4 jaar. Zichtbaar in de mond, uvuladeviatie door eenzijdige zwelling. Pijn, torticollis, veranderde spraak en trismus.
Aanvullend onderzoek: soms op laterale CWK gericht op weke delen te zien.
SEH-behandeling: ICC KNO-arts. Drainage, empirisch antibiotica.
2.44 Thoracale pijn
Onderscheid tussen de verschillende oorzaken van thoracale pijn is niet gemakkelijk. Anamnese is weinig sensitief omdat de afferente innervatie van de thoracale organen overlapt. Ook zijn er verschillen in de presentatie op basis van geslacht en leeftijd. Anamnese is wel specifiek. De focus op de spoedeisende hulp moet vooral liggen op het uitsluiten van ernstige oorzaken.
Presentatie
Anamnese
Richt zich op begin van de klachten, karakter/lokalisatie/uitstraling van de pijn, begeleidende symptomen en factoren van invloed, gebruik van cocaïne.
Lichamelijk onderzoek
Richt zich op het hart (galopritme, souffles, pericardwrijven) en de longen (crepitaties, pleurawrijven, rhonchi, verminderd ademgeruis). Besteed ook aandacht aan de huid, CVD, drukpijnlijkheid van de borstkas en kuiten/enkels. Bij verdenking aortadissectie neurologisch onderzoek. Zie ook tabel 2.74.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.74.
Diagnose thoracale klachten op basis van presentatie
| Symptomen | Risicofactoren | Diagnose |
|---|---|---|
|
• uitstraling naar arm(en) of schouder(s) verhoogt de kans op ACS 2-7 maal • scherpe, positie-afhankelijke of drukpijn verlaagt de kans iets |
• cardiale voorgeschiedenis verhoogt de kans op ACS met 5-8 maal • DM en familieanamnese verhogen de kans alleen voor mannen |
ACS |
|
• acute hevige scheurende/scherpe pijn in thorax • soms neurologische uitval • ST-T-afwijkingen op ECG mogelijk |
man, > 60 jaar, hypertensie, lues, Marfan/Ehlers Danlos, VG inflammatoire aandoeningen, atherosclerose, dissectie/aneurysma | aortadissectie |
|
• dyspnoe, tachycardie en pijn, vastzittend aan de ademhaling • soms haemoptysis, licht verhoogde temperatuur, verhoogde CVD of klachten passend bij een DVT • thoracale drukpijn verlaagt de kans iets |
immobilisatie, recente operatie, roken, orale anticonceptiva, actieve maligniteit, zwanger of recent bevallen, VG of FA DVT/longembolie | longembolie |
|
• pijn bij slikken, pijn tussen de schouderbladen, koorts, haematemesis, shock • pleuravocht op X-thorax |
braken, gastroduodenoscopie, ingestie corpus alienum | oesofagusruptuur |
|
• dyspnoe, pijn bij ademhalen, tachypnoe, verminderd ademgeruis en hypertympanie • soms verhoogde CVD. |
COPD, asthma, roken, man, lang en slank postuur | (spannings)pneumothorax |
|
• pijn die erger wordt bij liggen en beter bij (voorover) zitten, koorts, pericardwrijven en tachycardie • soms tamponnade • ECG: ST elevaties alle afleidingen |
pericarditis |
Overige differentiaaldiagnose
Acute chest syndrome (sikkelcelziekte)
Pneumonie
Galsteenlijden
Myocarditis
Gastro-oesofageale reflux/ulcera
Borstkaswandsyndromen
Herpes zoster
Paniekaanvallen/HVS
Aanvullend onderzoek
Bloeddruk links vs rechts: een verschil van > 20 mmHg kan wijzen op een aortadissectie, afwezig zijn van een verschil sluit een dissectie niet uit.
ECG, bij persisterende klachten herhalen. ECG-afwijkingen vaak weinig sensitief maar wel specifiek.
Bloedonderzoek: bij verdenking cardiale of pulmonale afwijkingen. D-dimeer alleen zinvol als er geen hoog risico (Wells-criteria) is op longembolie. Hartenzymen zijn wel specifiek, maar kunnen hartspiercelnecrose alleen uitsluiten als de klachten langer dan 4-6 uur bestaan.
-
Beeldvorming:
- X-thorax: bij verdenking pulmonale afwijkingen, aortadissectie, oesofagusruptuur.
- Echo cor: bij verdenking tamponnade.
- CT-thorax: bij verdenking aorta dissectie, longembolie, oesofagusruptuur.
SEH-behandeling
Symptomatisch behandelen (zuurstof, pijnstilling), verdere therapie en advies opname/ontslag bij desbetreffende hoofdstukken.
2.45 Trauma aangezicht
Presentatie
Anamnese
Pijn, visus, diplopie, epistaxis, neusobstructie, scheefstand neus, malocclusie gebit.
Lichamelijk onderzoek
Asymmetrie gelaat (van craniaal af op aangezicht kijkend), rhinorrhoea, oogbewegingen, sensibiliteit wang (n. infraorbitalis), palpatie orbitarand/zygoma/neusdorsum, neusseptum haematoom, intraorale inspectie en palpatie.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.75.
Diagnose aangezichtsletsel naar presentatie
| Presentatie | DD |
| supraorbitale zwelling | sinus frontalis fractuur |
| liquorrhoea | os ethmoidalis fractuur |
| enophthalmus, uitval n. infraorbitalis, diplopie, blikparese naar boven (door entrapment van m. rectus inf.), epistaxis, subcutaan emfyseem oogleden, subconjunctivale bloeding, pupillen niet op gelijk niveau | orbitafractuur (cave blow-out fractuur) |
| zwelling neusdorsum, scheefstand neus, fractuur palpabel neusdorsum, epistaxis, septumhematoom | neusfractuur |
| asymmetrie gelaat, drukpijn/fractuur palpabel zygoma | zygomafractuur |
| malocclusie gebit, maxilla mobiel, gelaat ‘verlengd’, potentieel bedreigde A | maxillafractuur (LeFort, figuur 2.13) |
| malocclusie gebit +/-, gelaat asymmetrisch +/-, hematoom sublinguaal, tongspateltest + potentieel bedreigde A | mandibulafractuur |
| onvermogen mond te sluiten, geen hematoom, kwijlen | luxatie mandibula. |
Aanvullend onderzoek
Evaluatie rhinorrhoea: test op glucose (urinestick: laag in neusslijm, hoog in liquor), haloteken is onbetrouwbaar.
X-orbita en X-zygoma op indicatie.
X-OPT: bij verdenking fractuur kaakkopjes en mandibula.
CT-scan is de gouden standaard bij fracturen van het aangezicht. Let ook op een eventueel aanwezig retrobulbair hematoom.
X-thorax als tanden missen.
Cave: geïsoleerde neusfractuur is geen indicatie voor beeldvormend onderzoek.
Figuur 2.13.

Classificatie van aangezichtsfracturen volgens LeFort
SEH-behandeling
AB: geef 15 l O2 middels NRM. Houd rekening met een bedreigde luchtweg. Intubatie kan zeer moeilijk tot onmogelijk zijn, roep laagdrempelig hulp. Zo nodig cricothyreotomie.
Cave CWK-letsel, immobiliseer zo nodig. Bij bilaterale mandibulafractuur: gebruik jaw thrust of chin lift om de ademweg vrij te houden.
Snuitverbod: orbitafractuur, neusfractuur, maxillafractuur, sinusfractuur.
Antibiotica: volg lokaal protocol (bijv. amoxicilline/clavulaanzuur 3 dd 500/125 mg) bij open fracturen of fracturen vlakbij het gebit. Bij gesloten fracturen van orbitabodem en maxilla lijken antibiotica niet noodzakelijk (geen evidence).
Zie ook tabel 2.76.
Tabel 2.76.
SEH-behandeling trauma aangezicht
| Diagnose | Behandeling |
|---|---|
| neusfracturen | repositie en/of revisie poli KNO < 7 dagen met pasfoto |
| septumhematoom | incisie, drainage, neustamponnade en revisie poli KNO 2 dagen of Spoed ICC KNO |
| mandibulaluxatie | repositie op SEH |
| tandluxatie | repositie op SEH, dan Spoed ICC tandarts |
|
• tandluxatie in combinatie met ossaal letsel maxilla/mandibula • orbitafractuur met diplopie of bedreigde visus • zygomafractuur en problemen met mondopening • LeFort-fracturen • open fracturen mandibula |
Spoed ICC kaakchirurgie |
| zygomafractuur zonder verdere problemen | poliklinische follow-up kaakchirurg |
| os ethmoidalis fractuur | spoed ICC neurologie/neurochirurgie |
|
oculaire complicaties: • letsel van de ooglidrand of nasale 1/3 deel van het ooglid • afwijkende oogstand/ oogbewegingen • visusdaling • perforatio bulbi • hyphaema |
spoed ICC oogheelkunde |
| trommelvliesperforatie | poliklinische follow-up KNO |
Cave
Bij een instabiel maxillofaciaal letsel kan de luchtweg door rugligging bedreigd worden, een zittende houding (met stabilisatie van de CWK) is dan geïndiceerd.
2.46 Trauma abdomen
Adjuncts na primary assessment bij abdominaal trauma
Altijd:
Echo abdomen (zie tabel 2.77).
Urinesediment.
Bloedonderzoek: Hb/Ht, bloedgroep, leverfuncties, amylase.
Op indicatie: bij penetrerend letsel X-BOZ met markers. Cave: kleine bekken geheel zichtbaar CAD, X-bekken, CT-A abdomen.
Tabel 2.77.
Beleid n.a.v. echo/CT bij stomp buiktrauma
| Hemodynamiek | Echografie (FAST) | Beleid |
|---|---|---|
| instabiel | vrij vocht aanwezig | ICC (trauma)chirurgie/interventieradiologie: spoedlaparotomie, angiografie, embolisatie |
| geen vrij vocht | zoek andere oorzaken HD instabiliteit bijv. retroperitoneum, overweeg CT-A | |
| stabiel | vrij vocht/orgaanletsel | ICC (trauma)chirurgie, CT-A |
| geen afwijkingen | CT-A op indicatie |
Indicaties spoedlaparotomie bij abdominaal trauma
Verdenking intra-abdominale verbloeding.
Persisterende transfusiebehoefte niet verklaard door focus elders (cave retroperitoneum).
Schotwond met transabdominaal traject.
Steekwond met eventratie van de buikinhoud.
Tekenen peritonitis (bij stomp en penetrerend trauma).
Vrij lucht X-thorax, X-BOZ, echo of CT-scan.
Verdenking diafragmaruptuur.
Penetrerend letsel met bloed uit maag, rectum (absoluut) of tractus urogenitalis (relatief).
Voor presentatie, DD en SEH-behandeling zie tabel 2.78.
Tabel 2.78.
Presentatie, DD- en SEH-behandeling
| Presentatie | DD | SEH-beleid | Plan |
|---|---|---|---|
| buikpijn links, pijn linker schouder, rib# laag links | miltletsel, diafragmaletsel |
• tensiecontrole, vulling z.n. • echo abdomen, indien stabiel genoeg: direct CT-A |
• opname ter observatie • vaak conservatief |
| buikpijn rechts, rib# laag rechts, gestoorde leverfuncties | leverletsel |
• tensiecontrole, vulling z.n. • echo abdomen, indien stabiel genoeg: direct CT-A. |
• opname-indicatie • vaak conservatief, overweeg embolisatie |
| seat belt sign, pijn buik (midden), verhoogd amylase |
• duodenumletsel, pancreasletsel • cave fracturen TLWK thv L1-L2 |
CT-A met oraal contrast |
• duodenumletsel altijd operatief • pancreasletsel vaak conservatief |
| acceleratie-deceleratiemechanisme, direct trauma flanken | nierletsel, niervaatletsel | urinesediment (hematurie). CT-A |
• ICC (trauma)chirurgie, urologie • vaak conservatief |
| penetrerend buiktrauma |
• darm/milt/lever/pancreas/nier/diafragmaletsel • cave vasculair letsel |
X-BOZ met markers, CT-A | Ip operatief tenzij: HD stabiel, extraperitoneaal traject, alert zonder peritoneale prikkeling, geen intoxicatie (dan observatie) |
| laag energetisch stomp buiktrauma zonder (rib of andere) #, geen peritoneale prikkeling, echo gb, geen microscopische hematurie | pijnstilling. |
• ontslag • overweeg telefonische follow-up < 24 uur |
2.47 Trauma bekken/urogenitaal
Bedenk dat het bekken als een ring is en een # zich dus vaak op twee plekken in deze ring bevindt.
Het traumamechanisme is van groot belang bij het voorspellen van het bekkenletsel:
Laterale compressie: ramus pubicus, sacrum, os ilium. Intrinsiek stabiele bekkenring.
Anteroposterieure compressie: symfysiolyse, SI-gewricht. Kan volledig instabiele bekkenring geven.
Vertical/AP shear: symfysiolyse, SI gewricht, hemipelvis verplaatst naar craniaal, posterieur en extern geroteerd. Kan volledig instabiele bekkenring geven.
Adjuncts na primary assessment bij bekken-/urogenitaal trauma
Altijd:
X-bekken (in- en outletopnamen).
Urinesediment (weinig sensitief en specifiek, interpreteren in licht klinisch beeld).
Bloedonderzoek: Hb/Ht, bloedgroep.
Bij aangetoonde fractuur bijna altijd CT-abdomen (tenzij laag energetisch letsel bij oudere met osteoporose).
NB: echo kan nierletsel en blaasletsel niet uitsluiten.
Pas na onderzoek genitalia/peritoneum/RT (uitsluiten urethraletsel) evt. CAD plaatsen.
Tabel 2.80.
Hematurie en/of urogenitaal letsel
| Presentatie | DD | SEH-behandeling | Plan |
|---|---|---|---|
| microscopische hematurie, HD stabiel, geen klachten en geen groot trauma | laaggradig nierletsel | expectatief | poliklinische controle met sediment |
| macroscopische hematurie, HD stabiel | nierletsel, ureteretsel | ICC urologie of (trauma)chirurg, CT-A | in overleg |
| hematurie met HD instabiliteit | nierletsel | ICC (trauma)chirurg, urologie, evt. interventieradioloog | radiologische interventie of OK |
| bekken # met macroscopische hematurie | blaasletsel | ICC (trauma)chirurg, urologie, cystografie, CT-A |
• intraperitoneaal: OK • extraperitoneaal: conservatief (CAD) |
| bekken #, bloed meatus urethrae, perineaal/scrotaal hematoom, hooggelegen prostaat bij RT | urethraletsel |
• (CAD gecontra-indiceerd) • retrograad urethrogram • ICC urologie, (trauma)chirurgie |
SP katether, OK |
Cave
Aanwezigheid van nierletsel is een aanwijzing voor andere significante pathologie.
2.48 Trauma hals
Halsletsels worden ingedeeld naar mechanisme in stomp, penetrerend of strangulerend. Luchtwegobstructie en ernstige bloedingen zijn de direct levensbedreigende aandoeningen bij halsletsel.
Presentatie
Anamnese
Precieze toedracht, dyspnoe, krachtsverlies.
Lichamelijk onderzoek
Vitale functies, stridor, heesheid, subcutaan emfyseem, dysfagie, hersenzenuwen.
Zie ook figuur 2.14.
Figuur 2.14.
Indeling halszones

Zone I: tussen clavicula en cricoïdZone II: tussen cricoïd en kaakhoek mandibulaZone III: boven kaakhoek
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.81.
DD halsletsel
| Presentatie | DD |
|---|---|
| stridor, hemoptoë, luchtlekkage uit halswond, heesheid, palpabele fractuur arynxskelet, subcutaan emfyseem |
• laryngotracheaal letsel • larynxfractuur |
| shock, bloeding, expanderende zwelling, hematoom, souffle carotiden, neurologische symptomen (ataxie, vertigo, nystagmus, dysartrie, diplopie) | vaatletsel (a. carotis, a. vertebralis, v. jugularis) |
| neurologische uitval arm | plexus brachialis laesie |
| heesheid, uitval hersenzenuw, hemiparese, quadriplegie |
• letsel hersenzenuw • N laryngeus recurrens • ruggenmergletsel |
| dysfagie, luchtlekkage uit wond, bloed uit maagsonde, mediastinaal emfyseem, initieel vaak asymptomatisch | oesofagusletsel |
Aanvullend onderzoek
X-CWK (bij verdenking CWK letsel en/of corpus alienum), bij penetrerend letsel met markering
X-thorax (bij verdenking pneumo- of hemothorax)
(CT) angiografie (bij verdenking vaatletsel)
Laryngo-/broncho- en/of oesofagoscopie bij verdenking letsel luchtweg of oesofagus.
SEH-behandeling
AB: zuurstof 15 l NRM. Vroegtijdig definitieve luchtweg liefst door anesthesioloog. Z.n. naaldconiotomie, cricothyreotomie of tracheotomie. Bij vaatletsel hals echter risico op niet te stelpen bloeding.
C: hypotensie t.g.v. bloedverlies: start met bolus 20 ml/kg verwarmd NaCl 0,9%. Z.n. herhalen, daarna packed cells 2 EH geven. Zsm chirurgische exploratie op OK. Overweeg neurogene shock bij ruggenmergletsel.
Penetrerend letsel: corpus alienum in situ laten, steriel afdekken wond.
Consulten: vroegtijdige consultatie van een anesthesioloog en/of chirurg is essentieel. Halsletsel vereist vaak chirurgische exploratie. Bij heesheid/stridor ICC KNO. Bij verdenking hersenzenuwletsel ICC neurologie. Bij noodzaak endo- of bronchoscopie resp. MDL of longarts.
Cave
Een uitbreidend hematoom in de hals kan de luchtweg snel bedreigen.
Ernstig inwendig letsel kan optreden ook al is het letsel aan de buitenkant nauwelijks zichtbaar.
Wees bedacht op geassocieerd ruggenmergletsel.
2.49 Trauma hoofd (trauma capitis )
Voorkom secundaire cerebrale schade door de vitale functies en glucose goed te stabiliseren. Cerebrale perfusie (CPP) = gemiddelde arteriële druk (MAP) - intracraniële druk (ICP).
Presentatie
Anamnese
Precieze toedracht, bewustzijnsverlies en duur ervan, posttraumatische amnesie en duur ervan, anterograde amnesie, braken, gebruik antistolling, VG hemofilie, alcoholisme.
Lichamelijk onderzoek
Vitale functies, EMV, pupillen, onderzoek schedel en oor (mastoïd en otoscopie), liquorrhoea, neurologisch onderzoek, fundoscopie.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.82.
DD bij trauma capitis
| Presentatie | DD |
|---|---|
| EMV 13-15 met bewustzijnsverlies < 15 minuten en posttraumatische amnesie < 60 minuten | licht schedel-hersenletsel, kans intracraniële complicaties 1-3% |
| verslechterende EMV, wijde lichtstijve pupil(len), decorticatiehouding, Trias van Cushing (hypertensie, bradycardie, onregelmatige ademhaling) | verhoogde intracraniële druk (ICP) |
| brilhematoom, Battle’s sign, hematotympanon/bloed gehoorgang, liquorroe (halo teken), vertigo, uitval nVII, gehoorklachten. | schedelbasisfractuur |
| lucide interval (20%), bewustzijnsstoornis, ernstige hoofdpijn, braken, convulsies, verhoogde ICP | epiduraal hematoom |
| bewustzijnsstoornissen, hoofdpijn, verhoogde ICP, focale neurologische afwijkingen, hemofilie, coagulopathie, ouderen en alcoholisten | subduraal hematoom, acuut of chronisch |
| hoofdpijn, fotofobie, meningeale prikkeling. | traumatische subarachnoïdale bloeding |
| convulsies | traumatisch insult |
| bewusteloze patiënt, verhoogde ICP | diffuse axonal injury (DAI) |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: op indicatie stollingsparameters.
Beeldvorming: CT-cerebrum (beoordeling) op indicatie (tabel 2.83).
Tabel 2.83.
Indicaties CT-cerebrum bij trauma capitis
| Patiënt ≥ 6 jaar: indicatie CT-cerebrum als 1 major criterium of 2 minor criteria | |
| Major criteria | Minor criteria |
|
• voetganger/fietser vs voertuig • uit voertuig geslingerd • braken • posttraumatische amnesie > 4 uur of bij aankomst SEH • klinische tekenen schedelfractuur • EMV-score < 15 • 2 punten daling EMV 1 uur na aankomst • anticoagulantiagebruik • posttraumatisch insult • focale neurologische uitval |
• val van (elke) hoogte • persisterende anterograde amnesie • posttraumatische amnesie 2-4 uur • uitwendig letsel hoofd (ex aangezicht) zonder # • bewustzijnsverlies • 1 punt daling EMV 1 uur na aankomst • leeftijd > 40 jaar |
| Patiënt 2-5 jaar | |
| CT-cerebrum | CT-scan of opname ter observatie |
|
• EMV < 15 • klinische tekenen schedelfractuur • focale neurologische uitval |
• bewustzijnsverlies • hoofdpijn • braken • val van > 1 meter • afwijkend gedrag |
| Patiënt < 2 jaar | |
| CT-cerebrum | CT-scan of opname ter observatie |
|
• EMV < 15 • focale neurologische uitval • klinische tekenen schedelfractuur • schedelhematoom • volle fontanel • insult • afwijkend gedrag • braken > 5 maal of > 6 uur |
• braken < 5 maal • bewustzijnsverlies (hersteld) • val van > 1 meter • suf/geprikkeld (hersteld) • val op harde ondergrond • geen ooggetuige • onduidelijke toedracht |
SEH-behandeling
AB: bestrijd hypoxie. Zuurstof toedienen, bij EMV ≤ 8 intubatie en beademing geïndiceerd. Dan normoventilatie en normocapnie (PCO2 34-36 mmHg) van essentieel belang.
C: streef naar een MAP van minimaal 65 mmHg of systolische bloeddruk > 90 mmHg. Z.n. vullen, overweeg inotropica (tabel 2.69).
D: bij tekenen verhoogde ICP:
hoofdeinde 30º omhoog;
overweeg mannitol 1 g/kg IV in afwachting van neurochirurgisch ingrijpen;
voorkom hypotensie.
E: voorkom hypothermie, glucosecontrole en behandeling.
Couperen antistolling:
bij bloeding op CT-cerebrum antistolling couperen met cofact en vitamine K tot INR ≤ 1.5;
bij normale CT-cerebrum en doorgeschoten INR vitamine K geven en antistolling onderbreken tot juiste waarde bereikt;
bij normale CT-cerebrum en goed ingestelde INR geen actie m.b.t. antistolling.
Opname/ontslag
Opname
Indicaties voor opname in het kader van licht schedel-hersenletsel zijn:
EMV < 15;
nieuwe klinisch significante afwijkingen op CT-cerebrum;
focale neurologische uitval;
andere letsels waarvoor opname geïndiceerd is;
CT-cerebrum wel geïndiceerd maar om logistieke/andere reden nog niet verricht;
Intoxicatie;
verdenking kindermishandeling.
Patiënten met kleine intracerebrale hematomen zonder midline shift en een EMV van 13-15 kunnen in het eigen ziekenhuis ter observatie worden opgenomen. Overige letsels moeten worden overlegd met een neurochirurg, bij voorkeur met inzage CT-beelden.
Ontslag
Ontslag in het kader van licht schedel-hersenletsel als EMV 15, geen neurologische afwijkingen, CT normaal/CT niet geïndiceerd (tabel 10.1007/978-90-313-8417-4_1#Tab5). Wekadvies is obsoleet voor volwassenen, voor kinderen onder 6 jaar is wekadvies wel geïndiceerd. Vaak klachten van hoofdpijn, vermoeidheid en concentratieproblemen na ontslag, echter gunstige prognose. Informatie heeft gunstig effect op prognose.
Cave
Denk altijd aan mogelijk geassocieerd CWK-letsel.
2.50 Trauma ruggenmerg (acute dwarslaesie )
Meestal wordt een acute dwarslaesie veroorzaakt door hoogenergetisch, stomp letsel (bijv. duik in ondiep water). Zelden komt ruggenmergletsel door penetrerend trauma voor (steek- of schotverwonding in de buurt van de wervelkolom).
Neurogene shock
Door letsel sympathicus systemische vasodilatatie met hypotensie en warme extremiteiten met normale kleur. Komt voornamelijk voor bij letsel boven T6. Hemodynamisch probleem.
SCIWORA
Spinal Cord Injury WithOut Radiographic Abnormalities: ruggenmergletsel zonder aanwezigheid van fractuur of luxatie. Komt voornamelijk voor bij kinderen, zelden bij ouderen met pre-existente vernauwing wervelkanaal.
Spinal shock
Eerste fase van hypotonie en areflexie na ruggenmergtrauma, waardoor de definitieve schade niet te beoordelen is. Neurologisch probleem.
Presentatie
Motorische en/of sensibele uitval bij trauma is alleen te beoordelen indien patiënt bij bewustzijn is. Bij lichamelijk onderzoek niveau van de dwarslaesie vaststellen: het laagste dermatoom met normale sensibele functie (tabel 2.49). Let op, er kan links-rechtsverschil zijn. Cave vitale functies: hypotensie en/of bradycardie door uitval van sympathische activiteit bij neurogene shock. Zie tabel 2.84.
Tabel 2.84.
Trauma ruggenmerg
| Syndroom | Motorisch | Sensibel | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| incomplete dwarslaesie | willekeurige contractie anale sfincter mogelijk | (enig) anaal gevoel (S4-5) of bij rectaal toucher met druk op de rectumwand. | |
| complete dwarslaesie | paraplegie | uitval onder niveau letsel | |
| central cord syndrome (figuur 2.15) | paralyse armen > benen | variabel | hyperextensieletsel, redelijke prognose |
| anterior cord syndrome (figuur 2.16) | tetraplegie of paraplegie | verlies van pijn- en temperatuurszin onder het niveau van het letsel. Proprioceptie en vibratiezin zijn gespaard. | letsel a. spinalis anterior, slechte prognose |
| syndroom van Brown-Séquard (figuur 2.17) | ipsilateraal uitval motoriek | Contralateraal verlies van pijn- en temperatuurszin 1-2 niveaus onder het niveau van het letsel. Ipsilateraal verlies proprioceptie. | hemisectieletsel, redelijk-goede prognose |
| conussyndroom (Th11-L1) | parese hamstrings en voetbuigers | uitval rijbroekgebied | stoornissen blaas- en rectumfunctie |
| cauda-equinasyndroom (L1-L2) | soms zwakte beenspieren | perianale sensibiliteitsstoornissen | late en milde sfincterstoornissen |
Figuur 2.15.

Central cord syndrome
Figuur 2.16.

Anterior cord syndrome
Figuur 2.17.

Syndroom van Brown Séquard
Aanvullend onderzoek
CT-WK: bij evident ruggenmergletsel geen conventionele opnames.
MRI-WK: overwegen i.o.m. orthopedie/neurochirurgie bij neurologische symptomen zonder verklarende ossale afwijkingen op CT (SCIWORA, ligamentair letsel).
SEH-behandeling
A: O2 toedienen. Bij intubatie cave manuele in-line stabilisatie CWK en BURP-manoeuvre.
B: hoge dwarslaesies (C3) kunnen uitval van de ademhalingsspieren veroorzaken. Ondersteuning met masker en ballon, overweeg vroege preventieve intubatie en ventilatie.
C: shock bij een traumapatiënt is een hemorragische shock totdat het tegendeel bewezen is, en moet in eerste instantie behandeld worden door te vullen met kristalloïd 20 ml/kg IV. Zijn in- en uitwendige bloedingen uitgesloten, dan kan neurogene shock en het toedienen van vasoactieve medicatie worden overwogen, streef naar MAP > 65 mmHg of systolische bloeddruk > 90 mmHg.
D: goede verslaglegging neurologische status, vroegtijdig ICC neuroloog.
Geef katheter bij ruggenmergletsel (monitoring output, retentieblaas).
Vraag vroegtijdig de neuroloog, neurochirurg of orthopedisch chirurg in consult.
Cave
Bij traumapatiënten met verlaagd bewustzijn is een ruggenmergletsel niet uit te sluiten op de kliniek.
Er is onvoldoende evidence om corticosteroïden toe te dienen bij traumatisch ruggenmergletsel.
Als de neurologische uitval meer past bij centraal probleem (hemiparese), overweeg dan dissectie carotiden. Kan vertraagd optreden tot enkele dagen na het trauma.
Prognose in acute stadium moeilijk te bepalen, betrouwbaarder na 72 uur, laat mededelingen over prognose over aan de neuroloog.
2.51 Trauma thorax
Adjuncts na primary assessment bij thoraxtrauma
Altijd:
X-thorax: pneumothorax, hematothorax, subcutaan/mediastinaal emfyseem, ribfracturen en aanwijzingen aortaruptuur. Bij penetrerend letsel markers aanbrengen.
Overweeg echo thorax (cortamponnade, pneumothorax, haematothorax).
ECG voor oorzaak of gevolg trauma (myocardcontusie: tachycardie, ritmestoornissen, RBBB, pathologische Q’s, STT-afwijkingen).
Bloedonderzoek: Hb/Ht, bloedgroep.
Op indicatie: X-sternum, CT-thorax. Als de onderste thoraxhelft betrokken is, dan is beeldvorming (echo, CT) van het abdomen over het algemeen geïndiceerd. Op indicatie: sediment (hematurie), bloedonderzoek (leverfuncties, troponine), bloedgas. Bij intubatie: CO2-monitor en maagsonde.
Indicaties spoedthoracotomie bij thoraxtrauma
Absoluut: circulatiestilstand na penetrerend thoraxletsel en in ziekenhuis nog signs of life (pupilreacties, spontane AH, carotispulsaties/meetbare BD, spontane beweging extremiteiten, georganiseerde ECG-activiteit). Kans op overleven in ervaren handen 5-10%.
-
Relatief:
- Stomp thoraxletsel met circulatiestilstand tijdens opvang op shockroom. Prognose in ervaren handen < 1%.
- Thoraxletsel met persisterende hypotensie (SBD < 70 mmHg) en drainproductie > 1500 ml of tekenen cortamponnade, overweeg direct OK of overplaatsing traumacentrum.
Contra-indicaties: niet chirurgisch ingrijpen indien er geen elektrische activiteit is.
Presentatie, DD en SEH-behandeling
Tabel 2.85.
Hemodynamische instabiliteit
| Kenmerken | DD | SEH-beleid | Plan |
|---|---|---|---|
| circulatiestilstand | direct ALS | ICC (trauma/thorax) chirurg voor spoedthoracotomie | |
| dyspnoe, uitgezette halsvenen, tracheadeviatie, zuigende wond | open pneumothorax | driezijdig afplakken | thoraxdrainageICC (trauma)chirurg voor sluiten defect op OK |
| dyspnoe, uitgezette halsvenen, tracheadeviatie | spanningspneumothorax | direct naaldthoracocentese | thoraxdrainage |
| zachte cortonen, uitgezette halsvenen, pulsus paradoxus | harttamponnade | pericardiocentese | ICC cardiologie/(trauma/thorax)chirurgie |
| verdenking aortaletsel op X-th, verschil BD linker- en rechterarm | aortaletsel | overweeg CT-A thorax | ICC (vaat)chirurgie/interventieradioloog |
Tabel 2.86.
Eenzijdig afwezig ademgeruis, dyspnoe, thoracale pijn
| Kenmerken | DD | SEH-beleid | Plan |
|---|---|---|---|
| hypotympane percussie | hematothorax | thoraxdrainage na X-thorax (cave diafragmaruptuur links) | ICC (trauma/thorax)chirurgie: OK als > 1500 ml bloed of > 200 ml/uur gedurende 4 uur |
| hypertympane percussie | pneumothorax | thoraxdrainage na X-thorax |
• ICC (trauma)chirurg • conservatief: < 2 cm randpneu of ventrale pneu tenzij intubatie • wel opname. |
| emfyseem (subcutaan en/of mediastinaal), grof inwerkend geweld, grote pneumothorax | trachea- of bronchusruptuur |
• thoraxdrainage z.n. bilateraal • overweeg CT-thorax |
ICC longarts (bronchoscopie), ICC (trauma/thorax)chirurgie |
Tabel 2.87.
Lokale drukpijn, pijn bij inspiratie
| Kenmerken | DD | SEH-beleid | Opname/ontslag |
|---|---|---|---|
| lage saturatie, longcontusie op X-thorax | respiratoire insufficiëntie | intubatie en beademing | opname IC |
| multipele anterieure rib#, sternum#, seatbelt sign thorax, bilaterale longcontusies, ECG-afwijkingen, verhoging troponine | myocardcontusie | ritmemonitoring, CK MB, troponine, ICC cardiologie (echo cor) | opname met ritmebewaking |
| twee of meer ribfracturen op twee of meer plaatsen | fladderthorax | saturatiebewaking, bloedgas, pijnbestrijding, herhalen X-thorax (longcontusie?). | opname MC/IC z.n. intubatie en beademing |
|
• ouder dan 55 jr • veel pijn • RF: antistolling, longemfyseem |
relatieve opname-indicatie | pijnstilling, saturatiebewaking | opname verpleegafdeling met saturatiemonitor |
| ribfracturen zonder bovenstaande criteria | ribfractuur | pijnstilling | ontslag |
2.52 Trauma wervelkolom
Stabiele wervelfractuur = geen risico op ruggenmergletsel, ook niet bij bewegen.
Instabiele wervelfractuur = risico op ruggenmergletsel, hetzij direct bij het trauma, of later door beweging. Dit risico wordt verkleind door goede immobilisatie tijdens vervoer en onderzoek. Adequate immobilisatie wervelkolom: patiënt op de wervelplank met spin, nekkraag en head blocks. Zo nodig alsnog op de SEH aanleggen (dan liefst Traumatras ®). Bij noodzaak tot immobilisatie bij een zeer onrustige/non-coöperatieve patiënt eerst mogelijke oorzaken (pijn, hypoxie, hypotensie) uitsluiten/behandelen. Als sedatie overwogen wordt, gebruik dan kortwerkende middelen zoals ketamine of midazolam na snelle neurologische evaluatie van de patiënt.
Tabel 2.88.
Welke patiënten hebben een verdenking op wervelletsel?
| Verdenking bij | ||
|---|---|---|
| traumamechanisme | Comateuze patiënt waarbij trauma niet uitgesloten is | |
| Iedere multitraumapatiënt | ||
| Letsel boven het niveau van de clavicula (CWK-letsel) | ||
| kliniek | Focale neurologische uitval | |
| Pijn/drukpijn wervelkolom | ||
| Epileptisch insult bij trauma capitis | ||
Bij een aangetoonde # in de wervelkolom is er 10% kans op een tweede #. Wees ook oplettend bij:
significant trauma capitis/aangezicht (20% kans op cervicaal letsel);
scapula#, seatbelt sign (geassocieerd met TLWK-letsel);
val van hoogte met letsel voet/enkel (kans op letsel LWK).
Presentatie
Anamnese
Vraag naar pijn (lokaal, uitstralend), neurologische uitval, paresthesieën.
Lichamelijk onderzoek
Vitale parameters, neurologisch onderzoek, aanwijzingen voor ruggenmergletsel: parese, verminderde sensibiliteit, hypotone areflexie, spierfasciculaties, priapisme, verminderde sfinctertonus/ perianale sensibiliteit. Lichamelijk onderzoek nek en rug (bij normaal bewustzijn):
Cervicale wervelkolom: tijdens manuele in line stabilisatie inspectie en palpatie van de nek. Let op wonden, haematomen en midline drukpijn, test axiale compressiepijn. Als niet afwijkend, dan actieve rotatie 45° testen. Als wel afwijkend immobilisatie met harde nekkraag en head blocks in stand houden.
Thoracolumbale wervelkolom: Als de nek nog niet vrijgegeven is: harde nekkraag in situ laten, zorg voor geleiding van het hoofd door een derde assistent tijdens de log roll. Tijdens log roll inspectie en test lokale drukpijn in de midline. In principe wordt tijdens de log roll de wervelplank gewisseld voor een matras met sleephandvatten. Bij mogelijkheid # WK en verminderd bewustzijn of misselijkheid/braken moet de immobilisatie in stand gehouden worden. Gebruik dan liefst een gepolsterde wervelplank (bijv. Traumatras®). Bij nog niet vrijgegeven CWK immobilisatie met harde nekkraag en head blocks (matje kan losgemaakt worden van de wervelplank).
Zie ook figuur 2.18 en kader 2.1, 2.2.
Figuur 2.18.

Vrijgeven wervelkolom
Kader 2.1 Klinische beslisregels CWK
Deze twee beslisregels zijn deels overlappend en halen een sensitiviteit van 100%. De Canadian C-spine Rule is iets specifieker (45% vs 13%), maar de NEXUS-criteria zijn ook voor ouderen te gebruiken en gemakkelijker te onthouden.
NEXUS-regel (ook bij ouderen)
Beeldvorming CWK niet noodzakelijk indien:
geen drukpijn over midline CWK, en
geen tekenen van intoxicatie (alcohol), en
geen verlaagd bewustzijn, en
geen focale neurologische verschijnselen, en
geen pijnlijk afleidend letsel*.
Canadian C-spine Rule
Beeldvorming CWK niet noodzakelijk indien:
geen verlaagd bewustzijn, en
geen aanwijzingen hoog risico (leeftijd > 65 jaar, paresthesieën in extremiteiten, gevaarlijk mechanisme**), en
wel aanwijzingen laag risico (zitten in SEH, nog gelopen, nekklachten later ontstaan, geen midline pijn, laag energetisch van achter aangereden), en
patiënt kan nek actief 45° naar links en rechts draaien
* Pijnlijk afleidend letsel wordt gedefinieerd als bijv. fractuur lange pijpbeenderen.
** Gevaarlijk mechanisme wordt gedefinieerd als bijv. val van > 1 m of 5 traptreden, axiale belasting zoals bij duiken, auto-ongeluk bij > 100 km/h, over de kop geslagen, ejectie.
Kader 2.2 Klinische beslisregel TLWK sensitiviteit 100%, negatief voorspellende waarde 100%
Regel van Holmes
Beeldvorming TLWK niet noodzakelijk indien:
geen verlaagd bewustzijn, en
geen klachten van de thoracolumbale wervelkolom, en
geen midline drukpijn van de thoracolumbale wervelkolom, en
geen afwijkend perifeer neurologisch onderzoek, en
geen pijnlijk afleidend letsel*
* Pijnlijk afleidend letsel wordt gedefinieerd als bijv. fractuur lange pijpbeenderen.
Aanvullend onderzoek
Conventionele opnames vs. CT: sensitiviteit van X-CWKs is 50% en specificiteit 97% t.o.v. CT. Bij patiënten met een verhoogd risico (klinische beslisregel) op CWK-letsel is CT kosten- en tijdeffectief. Conventionele röntgen geeft echter een minder hoge stralingsbelasting dan CT. Volgens de evidence is CT-WK de gouden standaard voor beeldvorming bij verdenking wervelletsel, en kunnen op conventionele opnames klinisch relevante letsels gemist worden. Echter in Nederland protocollair toch vaak conventionele opnames.
X-WK: volgens lokaal protocol. Bij indicatie CT-cerebrum (tabel 2.83) of andere CT geen X-CWK maken. Bij indicatie voor CT-thorax en/of abdomen geen conventionele opnamen maken.
CT-WK: volgens lokaal protocol. In ieder geval bij evident ruggenmergletsel, verminderd bewustzijn, ouderen, andere CT geïndiceerd, niet goed te beoordelen conventionele opnames of persisteren hoge verdenking met negatieve X. I.o.m. traumatoloog of orthopeed bij bewezen # op X-WK.
SEH-behandeling
A/B: O2. Bij intubatie cave manuele in-line stabilisatie CWK en BURP-manoeuvre. Cave ademdepressie bij hoge dwarslaesie (C3).
C: shock bij een traumapatiënt is een hemorragische shock totdat het tegendeel bewezen is en moet in eerste instantie worden behandeld door te vullen met kristalloïd 20 ml/kg IV verwarmd. Zijn in- en uitwendige bloedingen uitgesloten, dan neurogene shock en het toedienen van vasoactieve medicatie overwegen, streef naar MAP > 65 mmHg of systolische bloeddruk > 90 mmHg.
D: goede verslaglegging neurologische status, z.n. ICC neuroloog.
Als er een traumatisch fractuur van de WK is gevonden, overweeg dan beeldvorming van de gehele WK, gezien de kans op multipele fracturen.
ICC (trauma)chirurg, orthopedie en/of neurochirurg voor wervelfractuur, en neuroloog/neurochirurg voor ruggenmergletsel (naar lokale afspraken).
Opname/ontslag
Voor verdere behandeling overleg met orthopedie/neurochirurgie:
Stabiele fractuur: hierbij is het ruggenmerg niet in gevaar. Conservatieve behandeling (eventueel brace of gipskorset), pijnstilling en mobiliseren o.g.v. de pijn, evt. na periode van bedrust. In principe een poliklinische behandeling; er kan echter een sociale opname-indicatie zijn.
Instabiele fractuur: risico op ruggenmergletsel. Opname geïndiceerd. Immobilisatie door externe fixatie (bijv. halotractie) of OK.
Cave
Geen MRI of flexie/extensie-opnamen in de acute evaluatie van een patiënt zonder neurologische uitval en met een normale CT.
Als de patiënt op de plaats van een inzakkings# géén klachten aangeeft, is het een oud letsel.
Bij LWK-fractuur cave nierletsel.
2.53 Trauma bij zwangeren
In principe wordt bij zwangeren het normale schema voor de opvang van een multitraumapatiënt gevolgd. Houdt daarbij rekening met de fysiologische veranderingen die de herkenning van shock bemoeilijken. Distress van de foetus is een van de tekenen van shock bij de moeder. De Doppler is te gebruiken voor beoordeling cortonen van de foetus. Bij voorkeur moet naast een traumateam een gynaecoloog aanwezig zijn bij de opvang, en afhankelijk van de ernst van het trauma en de zwangerschapsduur een kinderarts stand by. Prioriteit is de behandeling van de moeder; dit geeft voor het kind ook de beste kans op overleving. Bij de zwangere vrouw mag de noodzakelijke röntgendiagnostiek niet achterwege gelaten worden.
Voor specifieke letsels zie tabel 2.89.
Tabel 2.89.
Specifieke letsels bij trauma in de zwangerschap
| Presentatie | Aandoening | Beleid |
| reanimatiesetting bij fundus ≥ navelhoogte (24 weken). | perimortem sectio caesarea binnen 5 minuten om moeder (en mogelijk kind) te redden | |
| hypotensie bij plat liggen | vena cava compressie | linkerzijligging of manueel uterus naar links verplaatsen, sluit andere oorzaken shock uit |
| vaginaal bloedverlies, buikpijn (kan na minimaal stomp buiktrauma) | abruptio placentae |
• echo abdomen • ICC gynaecologie |
|
• buikpijn, afwezige cortonen, foetale contour goed palpabel • meestal hoog-energetisch trauma |
uterusruptuur |
• ICC gynaecologie • operatieve behandeling |
| krampende buikpijn | vroegtijdige contracties |
• echo abdomen • ICC gynaecologie |
| abdominaal trauma bij Rh-negatieve moeder | foeto-maternale bloeding |
• Kleihauer-Betke-test • anti-D-immunoglobuline (300 µg) bij zwangerschap > 4 weken |
2.54 Vaginaal bloedverlies buiten de zwangerschap
Presentatie
A: kleur/stolsels/hoeveelheid (in maandverbanden/tampons), trauma, buikpijn, bloedingen/hematomen elders, zwangerschap, antistolling, voorgeschiedenis. LO inclusief gynaecologisch onderzoek met speculum en VT/RT voor bimanueel onderzoek. Lokalisatie van het bloedverlies: vaginaal, cervicaal, urethraal, rectaal. Voor oorzaken zie tabel 2.90.
Tabel 2.90.
Oorzaken vaginaal bloedverlies
| Kans op ernstig beloop | Mild beloop |
|---|---|
| hevige menorragie bij comorbiditeit (pre-existente anemie, cardiaal belast) |
• anovulatoire bloeding (endocrien, psychogeen, tumoren) • zijn irregulier in hoeveelheid en timing |
| bloeding uit gynaecologische maligniteiten of vasculaire malformaties |
• ovulatoire menstruele afwijkingen (DD infecties, spiraaltje, maligniteiten en benigne tumoren, myomen, endometriosis, hormonaal) • laat een cyclisch verloop zien, maar is afwijkend in cyclusduur, lengte en/of hoeveelheid |
| nabloeding na gynaecologische ingreep | slijmvlies- of huidafwijkingen (lichen sclerosis, atrofische vaginitis) |
| stollingsstoornis (primair, DIS, ITP) | infecties intern en extern genitaal |
| trauma vaginaal en/of cervicaal | vreemd lichaam (bijv. pessarium) |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: VBB. Stollingsonderzoek op indicatie: D-dimeren, PT of INR, bloedingstijd, aPTT, fibrineafbraakproducten.
Urineonderzoek: sediment en β hCG.
Kweken bij verdenking vaginale infectie: hoog lateraal vaginaal en endocervicaal op gonococcus en chlamydia trachomatis.
Echografie: abdominaal voor vrij vocht, vaginale echo voor beoordeling inwendige genitalia, vrij vocht, intra-uteriene zwangerschap.
SEH-behandeling
Bij aankondiging instabiele patiënt erytrocytenconcentraat bestellen. Waarschuw gynaecoloog.
Hypotensie o.b.v. hemorragische shock: vullen, z.n. transfunderen (bloedtransfusies).
Cave tevens septische shock. Bij een ernstige sepsis snel antibiotica starten. Empirisch bij infectie waarschijnlijk uitgaande van de inwendige genitalia: augmentin 1000/200 IV en gentamicine 5 mg/kg IV. Bij verdenking Toxic Staph Syndrome: toevoegen clindamycine 600 mg IV.
Bij traumatisch bloedverlies of maligniteit: vaginaal tamponneren scheelt bloedverlies en geeft tijdwinst om dingen te regelen.
Specifieke behandelingen
Stollingsproblemen (primair of door anticoagulantia of DIS). Overweeg : Cofact, trombocyten, FFP. Alleen overwegen bij levensbedreigende bloeding en als het de inspectie en behandeling op OK door gynaecoloog niet vertraagt.
Hecht kleine laceraties na trauma.
Verwijderen corpus alienum.
Bij hevige menorragieën: tranexaminezuur 3-4 dd 1000-1500 mg PO.
ICC gynaecologie/obstetrie voor verdere diagnostiek/therapie.
Opname/ontslag
Opname voor alle instabiele patiënten, en patiënten die (mogelijk) OK nodig hebben voor laparotomie. Opname stabiele patiënten bij ernstige anemie (+/- comorbiditeit) of ruim bloedverlies dat niet onder controle is.
Ontslag voor andere patiënten. Poliklinisch vervolg en/of eerstelijns terugverwijzing. Bij anemie o.b.v. chronisch vaginaal bloedverlies een ijzerpreparaat starten.
2.55 Vaginaal bloedverlies in de zwangerschap
Presentatie
A en LO incl. gynaecologisch onderzoek met speculum en VT/RT voor bimanueel onderzoek (Let op: bij gravida > 20 weken ofwel fundus ≥ navelhoogte, dan geen vaginaal onderzoek tot ligging van de placenta bekend is) concentreren zich op de beantwoording van de volgende vragen:
Is er sprake van heftige bloeding/hemodynamische instabiliteit?
Hoeveelheid (in ‘maandverbanden’), helderrood/donkerrood met stolsels of juist niet meer met stolsels, tekenen van shock? Peritoneale prikkeling (aanwijzing voor bloed in de buik), afwijkende bevindingen uterus gezien de termijn (bijv. continue contractie bij solutio of geen duidelijke fundus palpabel of ‘vrije foetale delen’ bij uterusruptuur)?
Bloedverlies vaginaal of vanuit andere structuren?
Differentiaaldiagnose
DD hevig rectale/urologische bloeding, bloeding via vagina door fisteling of trauma. Zie ook tabel 2.91.
Tabel 2.91.
DD vaginaal bloedverlies in de zwangerschap
| Termijn | DD |
|---|---|
| < 20 weken AD | EUG, abortus, septische abortus, mola, bloedverlies niet aan zwangerschap gerelateerd |
| > 20 weken AD | mola, placenta problemen, uterusruptuur, (dreigende) partus, bloedverlies niet aan zwangerschap gerelateerd |
| direct postpartum | fluxus, stollingsstoornissen, wekedelenletsel |
Aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek: Hb, leuko, trombo, kruisbloed, leverenzymen, LDH, serum β hCG. Stollingsonderzoek bij verdenking DIS of coagulopathie: D-dimeren, INR of PT, aPTT, bloedingstijd, fibrineafbraakproducten. Specifiek bij zwangeren evt. Rh-factor indien niet bekend, Kleihauer-Betke-test (aantonen foetale cellen in maternaal bloed).
Urineonderzoek: sediment en β hCG.
Kweken bij verdenking infectie: hoog lateraal vaginaal en endocervicaal op gonococcus en chlamydia trachomatis.
-
Beeldvorming:
- Echografie: abdominaal voor vrij vocht en beoordeling zwangerschappen/plaats placenta > 10 weken.
- Vaginale echo voor de rest ter beoordeling inwendige genitalia, vrij vocht, beoordeling zwangerschap intra of extra uterien.
Placentaproblemen
Placenta praevia: als de placenta (deels) over het ostium van de uterus ligt kan dat heftig bloedverlies geven. Vaginaal bevallen is niet mogelijk. Symptomen kunnen zijn: pijnloze (recidiverende) bloedingen spontaan of bij weeënactiviteit. Diagnose op echografie.
Solutio placentae : loslating van de placenta, spontaan of na buiktrauma. Symptomen zijn: plots pijnlijke continu keiharde uterus +/- vaginaal bloedverlies. Dit kan hevig zijn met hemodynamische instabiliteit en soms DIS. Het CTG laat fetal distress zien. Echografie is onvoldoende sensitief, diagnose op kliniek.
Uterusruptuur : ontstaat tijdens partus. Bij dreigende ruptuur vooral suprapubisch veel pijn, óók tussen de weeën door. Klassiek: zichtbare overgang van het dunne onderste uterussegment naar het dikkere wandgedeelte van de uterus. Symptomen uterusruptuur: foetale nood, plotseling afname weeën, uterus niet goed palpabel, foetale delen heel goed voelbaar, peritoneale prikkeling. Vaak hemodynamisch instabiel. Risicofactoren: eerdere sectio of hormonale weeënstimulatie.
Vasa praevia : afwijkend liggend foetaal vat van de navelstreng in de vliezen. Foetaal bloedverlies bij het (kunstmatig) breken van de vliezen. Direct verbloedingsgevaar voor het kind.
SEH-behandeling
C: Behandeling van hemodynamische instabiliteit zoals bij hemorragische shock en bloeding onder controle proberen te krijgen. Cave (tevens) septische shock. Bij zwangeren gaat het belang van de moeder altijd voor het kind.
ICC gynaecologie (spoed OK?).
Stollingsproblemen (primair of door anticoagulantia of DIS): overweeg Cofact, FFP en/of trombocyten.
Postpartum cervix- of vaginaal letsel: indien à vue op cervixlaceratie korentang of kromme klem plaatsen. Evt. tamponneren met een gynaecologische tampon.
Postpartumbloeding vanuit uterus: oxytocine 5 E IV. Blaas katheteriseren. Bij slappe uterus: massage, misprostol 800 mcgr rectaal of bolus 5 E oxytocine dan continu infuus 50-100 mE/min.
Evt. bimanuele compressie uterus of aortacompressie in afwachting effect of inzetten andere maatregelen.
Eventueel sulproston (Nalador ®) 100 µg/uur IV. Cave cardiale ischemie bij ernstige anemie.
2.56 Vreemd gedrag
Acute gedragsveranderingen kunnen een manifestatie zijn van een scala aan somatische of psychiatrische aandoeningen. Regelmatig vraagt een psychiater om een patiënt ‘somatisch vrij te geven’. De arts op de SEH heeft dan de opdracht om een somatische aandoening als oorzaak van het vreemde gedrag uit te sluiten voordat een patiënt in een psychiatrisch ziekenhuis of psychiatrische afdeling wordt opgenomen. Psychiatrische symptomen bij een somatische aandoening zijn waarschijnlijker als: patiënt > 40 jaar, desoriëntatie, veranderd bewustzijn, abnormale vitale parameters, plots begin, visuele hallucinaties, blanco psychiatrische VG, middelenmisbruik.
Presentatie
Bewustzijnsdaling, desoriëntatie, verwardheid, geheugenstoornis, derealisatie (gevoel hebben dat omgeving niet echt is), dwangvoorstellingen, hallucinaties (dingen waarnemen die er niet zijn, zowel visueel, auditief als tactiel), wanen (oncorrigeerbare foutieve overtuigingen), stemmingsverandering van depressief tot eufoor, angst of paniek, agressie, enz.
Anamnese
Algemene en psychiatrische anamnese inclusief VG, medicatiegebruik en alcohol/drugs.
Lichamelijk onderzoek
Algemeen, inclusief neurologisch onderzoek met Minimal Mental State Examination (MMSE) voor cognitieve beoordeling, vitale parameters, aanwijzingen toxidroom.
Psychiatrisch onderzoek
Bewustzijn, aandacht, oriëntatie geheugen, oordeels- en kritiekvermogen, ziekte-inzicht en besef, waarneming en denken (vorm en inhoud), stemming.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.92.
DD vreemd gedrag
| Psychiatrisch | Somatisch |
|---|---|
|
• schizofrenie • persoonlijkheidsstoornis (antisociaal en borderline) • stemmingsstoornis (manie, depressie) • paniekstoornis |
• metabole/endocriene stoornis (hypoglykemie, hypoxie, hypothermie of hyperthermie, schildklieraandoening) • elektrolytstoornis • CZ-aandoening (infectie, trauma, epilepsie, CVA, delier, dementie) • intoxicatie of onthouding (alcohol, drugs) • medicatie (bijwerking of toxiciteit) • sepsis |
Delier
Symptomen: fluctuerend beloop van symptomen, waaronder stoornissen in het bewustzijn (wisselend bewustzijn), aandachts- en concentratiestoornissen, cognitieve stoornissen, agitatie, motorische onrust (plukgedrag). Er is altijd een onderliggende somatische oorzaak, deze moet opgespoord en behandeld worden.
-
Etiologie delier:
- hypoxemie/hypercapnie;
- hypoglykemie/hyperglykemie;
- dehydratie;
- elektrolytstoornis (Na, Ca, Mg, P);
- infectie/sepsis (pneumonie, UWI);
- alcohol- of drugsintoxicatie of -onthouding;
- medicatie;
- vitaminedeficiëntie (Wernicke);
- CZS (CVA, subduraal hematoom, meningitis, encefalitis);
- endocriene stoornis (schildklier, bijnier);
- cardiale aandoening (myocardinfarct, ritmestoornis, hartfalen);
- hyperthermie/hypothermie;
- hypertensieve crisis.
Dementie
Syndroom met achteruitgang van cognitieve functies bij intact bewustzijn. Symptomen: tekortkomingen in het korte- en langetermijngeheugen, stoornissen in abstract denken, oordeels- en kritiekstoornissen, stoornis hogere corticale functies.
Paniekstoornis
Een paniekaanval is een begrensde periode van intense angst of onbehagen, waarbij tenminste vier van de volgende symptomen plotseling ontstaan, die binnen tien minuten een maximum bereiken.
-
Symptomen:
- Cardiaal: pijn of een onaangenaam gevoel op de borst, hartkloppingen, bonzend hart of versnelde hartactie.
- Pulmonaal: ademnood of verstikking, naar adem snakken (hyperventilatie).
- Abdominaal: misselijkheid of buikklachten.
- Algemeen: opvliegers of koude rillingen, transpireren, trillen of beven.
- Zenuwstelsel: paresthesieën (verdoofd gevoel of tintelende sensaties), duizeligheid, onvastheid, licht in het hoofd of flauwte.
- Psychiatrisch: angst de zelfbeheersing te verliezen, gek te worden of dood te gaan. Derealisatie of depersonalisatie.
PM. Angst kan ook voorkomen als gegeneraliseerde angststoornis, posttraumatische stressstoornis (PTSS), bij een somatische aandoening, door middelengebruik of bij depressie, een psychotische of persoonlijkheidsstoornis.
Aanvullend onderzoek
Laboratorium: VBB, glucose, elektrolyten, NF, tox screening, op indicatie: bloedgas, ethanolspiegel, schildklierfunctie, liquor, bloedkweek, ECG, CT cerebrum, urinesediment.
SEH-behandeling
Stabiliseer patiënt, sluit levensbedreigende aandoeningen uit, herken en behandel somatische aandoening. Vaak niet mogelijk (en noodzakelijk) om op de SEH tot een psychiatrische diagnose te komen.
Voorkom dat patiënt zichzelf of anderen beschadigt. Onderliggende medische aandoeningen moeten behandeld worden. Consultatie met een psychiater of opname in (psychiatrisch) ziekenhuis dan wel ontslag hangt af van onderliggende aandoening. Een combinatie van medicamenteuze (antidepressiva) en psychotherapie is het meest succesvol voor een paniekstoornis. Kortdurend kunnen benzodiazepines in de spoedeisende hulpverlening gebruikt worden.
Persoonlijkheidsstoornis (o.a. antisociale en borderline)
Gedragingen die schadelijk (kunnen) zijn voor de patiënt en/of zijn omgeving.
Antisociale persoonlijkheid: onverantwoordelijk en antisociaal gedrag, vaak agressief en impulsief.
Borderline persoonlijkheid: gekenmerkt door voortdurende instabiliteit in stemming, relaties en zelfbeeld.
Psychose
De patiënt is het normale contact met de – door zijn omgeving ervaren – werkelijkheid kwijt.
Symptomen: wanen, hallucinaties, denkstoornis of negatieve symptomen als apathie en afvlakking.
Etiologie: o.a. schizofrenie, psychotische stoornis door een somatische aandoening of middelengebruik.
Stemmingsstoornis
Depressie: depressieve stemming, interesseverlies, gewichtsverlies of -toename, insomnia of hypersomnia, psychomotore agitatie of remming, gevoelens van schuld of waardeloosheid, concentratiezwakte, besluiteloosheid, gedachten aan de dood.
Manie: uitgelaten, eufore of geprikkelde stemming, overdreven gevoel van eigenwaarde, verminderde slaapbehoefte, breedsprakig, gedachtevlucht, verhoogd afleidbaar.
2.57 Vulvovaginale klachten
Pijn (niet-traumatisch)
Presentatie: A, pijn bij seksueel contact, dysurie. Andere bijkomende klachten zoals o.a. onderbuikspijn, vaginale afscheiding of bloed, algehele malaise, gewrichtspijnen. Kan secundair zijn aan problemen van hogerop gelegen structuren zoals cervicitis. Let bij LO op ulcera pijnlijk/niet pijnlijk en aspect ervan, aanwezigheid vaginale afscheiding en aspect, roodheid, zwellingen in de lies.
Differentiaaldiagnose: SOA’s, reactieve vulvitis bij bacteriële vaginose, plaveiselcelcarcinoom (m.n. ouderen). Overweeg: Behçetsyndroom (arthritis, iritis en genitale ulcera), tbc, M. Crohn.
Aanvullend onderzoek: urinesediment, SOA-diagnostiek. Verdere diagnostiek en behandeling zie desbetreffende hoofdstukken.
(Pijnlijke) zwelling vulva
Differentiaaldiagnose: cyste of abces klier van Bartholin (zwelling lateraal in vulva), geïnfecteerde atheroom cyste, carbunkel van de urethra (rode zwelling bij meatus). Overweeg: varicosis, steenpuist, ulcera, uterusprolaps of poliep, hernia inguinalis.
Aanvullend onderzoek: op indicatie inzetten SOA-diagnostiek.
SEH-behandeling: bij een abces of geïnfecteerde atheroomcyste kan (evt. onder sedatie en pijnstilling) drainage op de SEH verricht worden, laagdrempelig op OK. Alle andere gevallen: ICC gynaecologie.
Cave: infectie van Bartholincyste kan door N. Gonorroe. Co-infectie andere SOA mogelijk.
Pruritus vulvae
Differentiaaldiagnose: huidafwijking (o.a. lichen planus/lichen sclerosus, eczeem), infectieus (candida, SOA zoals schaamluis, wormen), urine-incontinentie, wratten (o.a. SOA’s), allergieën. Overweeg: onderliggend DM bij ouderen, algehele jeuk (icterus, vitamine gebrek), carcinoom.
Aanvullend onderzoek: urine voor glucose. Bij verdenking SOA screening inzetten.
SEH-behandeling: z.n. consult dermatologie. Evt. kortdurend lokaal steroïd (bijv. betamethason 1% crème) of promethazine 25-50 mg per 24 uur PO. Advies: geen nylon, geen zeep, droog houden, geen maandverband of inlegkruisjes.
2.58 Wegraking
Kortdurend (max 1 min) bewustzijnsverlies met verlies van spiertonus, met spontaan en volledig herstel. Ook wel collaps (= val zonder evidente externe oorzaak) of syncope (= wegraking die berust op tijdelijke cerebrale hypoperfusie) genoemd. Maak onderscheid met insulten, in het algemeen bestaat hierbij een postictale periode, dus verminderd bewustzijn/verwardheid na de wegraking. Wegraking is een veel voorkomende klacht met veel mogelijke oorzaken gelegen in verschillende orgaansystemen en de oorzaak kan niet altijd op de SEH worden achterhaald. Het is belangrijk dat patiënten met risico op ernstige etiologie (met name cardiaal) geïdentificeerd worden. Bijna 50% van de oorzaken van wegrakingen kan worden gediagnosticeerd op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek.
Presentatie
Anamnese
Aandacht besteden aan:
Kortdurend bewustzijnsverlies met verlies van tonus en spontaan volledig herstel.
Wel/niet aan voelen komen.
Houding: liggend, zittend, staan.
Stressoren: pijn, angst, toiletbezoek/aandrang, opstaan/lang staan, menigte.
Omstandigheden: inspanning, scheren, draaien nek, strakke stropdas.
Begeleidende symptomen: POB, palpitaties, dyspnoe, trekkingen, verwardheid, incontinentie, aan/afwezigheid peracute hoofdpijn, licht in het hoofd.
Voorgeschiedenis, familie anamnese (acute hartdood) en medicatie (bètablokker, antiaritmica, QT-verlenging).
Lichamelijk onderzoek
Aandacht besteden aan:
Bloeddruk en polsfrequentie, meting orthostatische hypotensie.
Cardiaal: souffle, verhoogde CVD.
Pulmonaal: crepitaties.
Neurologisch onderzoek: verwardheid, nystagmus, dysartrie, focale uitval.
Tongbeet: lateraal of mediaal.
Zie ook kader 2.3.
Kader 2.3 San Francisco Syncope Rule
Verhoogd risico op ernstig event binnen 7 dagen (98% sensitief en 56% specifiek):
ECG-afwijkingen (bradycardie < 40/min, sinus pauzes, tweede-/derdegraads blok, (S)VT, acute ischemie, wisselend LBTB/RBTB, bifasciculair block, pre-excitatie, verlengd QT, Brugada).
Dyspnoe.
VG: hartfalen.
SBP < 90 mmHg.
Hematocriet < 30%.
Differentiaaldiagnose
Tabel 2.93.
DD wegraking
| Presentatie, overige symptomen. | Etiologie |
|---|---|
| tijdens inspanning, niet aan voelen komen, cardiale souffle, verhoogde CVD, afwijkend ECG | cardiaal obstructief: AoS of HOCM |
| niet aan voelen komen, zittend/liggend, palpitaties, dyspnoe, afwijkend ECG, familieanamnese plotse hartdood | ritmestoornis: brady- of tachyaritmie |
| pijn ademhaling, dyspnoe, sinustachycardie, saturatiedaling, tachypnoe, afwijkend ECG | longembolie |
| scheurende pijn thorax/rug/buik, hypo- of hypertensie, tensieverschil links-rechts, tachycardie, verbreed mediastinum. | aortadissectie |
| tachycardie, hypotensie, buikpijn | shock, AAAA |
| trekkingen, postictale verwardheid, incontinentie, laterale tongbeet | insult |
| peracuut ernstige hoofdpijn, recent trauma capitis | cerebrale bloeding |
| uitval hersenzenuwen, ataxie en dysfagie | TIA vertebrobasilaire systeem |
| hypo/hyperglykemie | metabool |
| staan (langdurig of na inspanning), aan voelen komen; medicatie, wel aan voelen komen. Kan ook trekkingen, incontinentie, bradycardie en hypotensie geven. VG autonome neuropathie, parkinson | orthostase |
| stressoren, wel aan voelen komen, langdurig staan, postprandiaal, na inspanningVG eerder flauw gevallenkan ook trekkingen, incontinentie, bradycardie en hypotensie geven | neurocardiogeen |
| scheren, draaien nek, strakke stropdas | sinuscarotisovergevoeligheidsyndroom |
| ogen actief gesloten, naar boven wegdraaiende, dichtgeknepen ogen, hand niet op gelaat laten vallen, reactie op kietelen | psychogeen |
ECG (altijd): ritme- of geleidingsstoornis, ventriculaire hypertrofie, QTc, tekenen (eerdere) ischemie, tekenen longembolie, veranderingen t.o.v. eerder ECG.
Laboratoriumonderzoek: anemie, hypoglykemie, hypo- of hyperkaliëmie, hypomagnesiëmie, cardiale ischemie, infectie.
β-HCG in urine: intra- of extra-uteriene graviditeit.
Thoraxfoto: verdenking hartfalen, aortadissectie.
CT-scan bij verdenking neurologische oorzaak, aortadissectie, longembolie of intra-abdominale pathologie.
Echocardiografie: bij structurele hartafwijkingen, ischemie of slechte LVF na anamnese of lichamelijk onderzoek.
Hartkatheterisatie: bij verdenking ischemie, bij ECG-afwijkingen of veranderingen.
SEH-behandeling
ABCDE-stabilisatie.
Opname/ontslag
Hoogrisicopatiënt: opnemen voor 24 uur ritmebewaking en verdere analyse.
Laagrisicopatiënt (< 45 jaar zonder risicofactoren of aanwijzingen voor hoog risico op ernstige oorzaak): ontslag en z.n. evaluatie huisarts.
2.59 Wheezing, kind
10-15% van de kinderen < 1 jaar en tot 25% van de kinderen < 5 jaar bezoekt de huisarts met piepende ademhaling (wheezing). Wordt veroorzaakt door vernauwing van de luchtwegen, meestal alleen expiratoir hoorbaar. Bij bronchiolitis en astma, maar ook bronchiale hyperreactiviteit bij een viraal BLWI. Onderscheid acuut (corpus alienum), geleidelijk (tumor), intermitterend (astma), continu (vaker congenitaal, corpus alienum, tumor).
Specifieke ziektebeelden
Astma
Bijna altijd > 1 jaar. Predisponerend: atopische constitutie, familie anamnese astma of allergie. Uitgelokt door: viraal infect, inspanning, seizoen, rook, allergenen.
-
Presentatie
- Episodes met wheezing, soms hoesten als enige symptoom.’s Nachts hoesten en piepen is een teken van ernstig astma. Diagnose < 2 jaar is moeilijk, overweeg ook DD. Ook grotere kinderen (6-12 jaar) kunnen benauwdheid slecht aangeven en presenteren zich dan ook vaak laat met een ernstige astma-exacerbatie die moeilijk te herkennen is. Er is dan sprake van een zogenaamde silent chest: door de zeer ernstige bronchusobstructie is er nauwelijks nog air entry en wordt er ook geen expiratoir piepen meer gehoord.
- Snelheid van ontstaan (uren, dagen, weken)? Al therapie gegeven? Effect ervan? Beloop eerdere aanvallen? Risicofactoren levensbedreigend astma: recente IV-behandeling, opname IC.
Differentiaaldiagnose: corpus alienum, bronchiolitis, pseudokroep, epiglottitis.
-
SEH-behandeling: beoordeel ABCDE en bepaal de ernst van de aanval.
- AB: Overweeg intubatie bij: dreigende uitputting, PaCO2 > 8,5 Kpa (65 mmHg) en PaO2 < 8 Kpa (60 mmHg). Inductie met Ketamine. Zie ook tabel 2.94.
Tabel 2.94.
SEH-behandeling astma
| Mild | Ernstig | Levensbedreigend | |
|---|---|---|---|
| symptomen |
• eind expiratoir piepen. Kan hele zinnen spreken • geen/milde intercostale intrekkingen • saturatie > 95% in lucht |
• expiratoir piepen • kan zin niet afmaken binnen 1 ademteug • intrekken inter- en subcostaal • pols > 130 (2-5 j) > 120 (> 5j) • tachypnoe > 50/min (2-5 j) > 30/min (> 5 j) |
• in- en expiratoir piepen. Verminderd ademgeruis tot stille thorax (laat teken) • afgenomen ademarbeid (uitputting) • verminderd bewustzijn • cyanose (laat teken) • SaO2 < 85% in lucht |
| O2 | • niet nodig | • streef SaO2> 94% | • NRM, streef SaO2> 94% z.n. intubatie |
| vernevelen | • salbutamol + ipratropium | • salbutamol + ipratropium à 30 min | • salbutamol continu |
| medicatie | • prednisolon IV/PO |
• prednisolon IV • na 30-60 min zonder effect vernevelen overwegen • MgSO4 IV • salbutamol IV |
|
| opname/ ontslag |
• ontslag bij goede respons • Salbutamol puffs à 3-4 uur en afbouwschema tot à 8 uur • overweeg corticosteroïden |
• bij goede respons zie mild plus prednisolon 1 mg/kg/dag verdeeld over 1-3 dosis max 40 mg/dag voor 5 dagen • overig: opname |
• opname afdeling of (P)ICU • ECG-monitor, controle K+ elke 12 uur bij continu/IV salbutamol • bij pH < 7,15 overweeg NaBic |
Cave: bij achteruitgang denk aan pneumothorax, mediastinaal emfyseem, atelectase vorming
Doseringen
Ipratropium vernevelen 0,25 mg bij < 4 jaar, 0,5 mg > 4 jaar.
MgSO4 Iv 25 mg/kg (= 0,25 ml/kg van 10%) IV. Maximaal 2 g in 10 minuten. Cave vermindering (ademhalings)spierkracht.
Natriumcarbonaat alleen in overleg met kinderarts(intensivist) 1 mmol/kg in 30 minuten. 4,2% = 0,5 mmol/ml IV.
Prednisolon 2 mg/kg/dag verdeeld in 3 giften 3-5 dagen PO/IV. Maximaal 80 mg/dag.
-
Salbutamol:
- vernevelen met O2 2,5 mg bij < 4 jaar bij mild/ernstig, bij levensbedreigend als bij > 4 jaar: 5 mg.
- 0,2 µg/kg/min IV. Ophogen 0,1 µg/kg/min op geleide van kliniek, pols en ABG. Maximaal 2 µg/kg/min. Cave hypokaliëmie.
Bronchiolitisbronchiolitis
Bijna altijd < 1 jaar, > 90% door RS-virus. Bij 9-24 maanden lijkt presentatie soms op astma.
Presentatie: tachypnoe en dyspnoe, scherpe droge hoest, hyperinflatie thorax, intrekkingen, fijne eind expiratoire crepitaties, expiratoir > inspiratoir wheezing, +/- hypoxie, +/- irreguliere/herhaalde apnoes. Koorts kan > 38,5 °C zijn.Risicofactoren ernstiger verloop: < 6 weken, (ex)prematuren, chronisch longlijden, hartprobleem en immuundeficiëntie.Zuigelingen < 3 maanden en ex-prematuren kunnen ernstige apnoes hebben bij overigens weinig luchtwegklachten, laagdrempelig opname voor bewaking.
Aanvullend onderzoek: op indicatie: nasofaryngeaal aspiraat, X-thorax, bloedbeeld, elektrolyten, bloedkweken.
SEH-behandeling
Tabel 2.95.
SEH-behandeling bronchiolitis
| Milde bronchiolitis | Matige of ernstige bronchiolitis | |
|---|---|---|
| symptomen |
• drinkt normaal • weinig of geen dyspnoe • SaO2> 95% zonder O2 • koorts meestal < 38,5oC |
• drinken moeilijk • dyspnoe, tachypneu • apneu • intrekkingen, neusvleugelen, kreunen • SaO2 verlaagd • koorts > 38,5oC in 50% van de kinderen |
| O2 | • niet geïndiceerd |
• NRM, streef saturatie > 94% • zonodig intubatie en beademing |
| vernevelen | • niet |
• proefbehandeling salbutamol * bij > 6 mnd en bronchospasme • bij effect z.n. herhalen |
| overig | let op goede hydratie |
• hydratie zonodig IV, let op urineproductie • corticosteroïden alleen bij verdenking astma |
| opname/ontslag |
• thuis, indien goede hydratie, instrueerbare ouders en bereikbaar ziekenhuis • laagdrempelig opname bij zuigeling < 3 maanden en ex-prematuren (tot 3 maanden na a terme datum) i.v.m. apneus |
• opname, monitoring • bij noodzaak tot intubatie: PICU |
* alleen nuttig bij positieve familie anamnese astma of eerdere episode bronchiale hyperreactiviteit.
Plaats huidkwaddels op de aangegeven zwarte punten. Van daaruit veld anesthesie aanleggen, waarbij de horizontale lijn zo dichtbij mogelijk bij de basis van de penis wordt gelegd. Naar: Reichman, Simon Emergency Procedures McGrawhill.
A. incisie op plaats stippellijn.
B. de voorhuid zal open gaan staan in ruitvorm.
C. na reductie van de voorhuid kan de incisie gesloten worden.
A en B Knip met een tang (bijv. knabbeltang) het sluitertje door, daar waar het van buitenste naar binnenste deel overgaat.C Losknippen rits van kleding (lange stippellijnen), daarna tussen de tanden (pijltjes).
1 Perianaal abces; 2 Ischiorectaal abces; 3 Intersfincterisch abces; 4 Pelvirectaal abces; 5 Submucaosaal abces
Zone I: tussen clavicula en cricoïdZone II: tussen cricoïd en kaakhoek mandibulaZone III: boven kaakhoek
Doseringen
Salbutamol vernevelen 2,5 mg bij < 4 jaar, 5 mg > 4 jaar.
Prednisolon 2 mg/kg/dag PO verdeeld in 3 doses voor 3-5 dagen.
2.60 Zwangerschap algemeen
Door fysiologische veranderingen in de zwangerschap zal een aantal bevindingen anders zijn dan bij niet zwangeren:
Cardiovasculair: cardiac output ↑ en perifere vasculaire weerstand omlaag → lichte daling bloeddruk (met name diastolisch). Vaak systolische ejectie geruisen (maximaal hoorbaar op apex). Totaal circulerend volume ↑ met relatief meer vocht zodat Hb licht ↓.
Pulmonaal: verhoging tidal volume. De PaCO2 is lager om de foetale CO2 uitwisseling te bevorderen → gevoel van kortademigheid. Door verhoging intra-abdominale druk meer behoefte aan PEEP bij invasieve beademing.
Gastro-intestinaal: motiliteit darmen ↓ → obstipatie.
Urogenitaal: met toename omvang uterus, frequentie mictie↑.
Huid: hyperpigmentatie, palmair erytheem, spider naevi, striae.
Bloedonderzoek: fibrinogeen ↑, WBC ↑,trombo’s ↑, fibrinogeen↑, Alb ↓, AF tot 450, Bic ↓, creat ↓, urinezuur ↓, ureum ↓. CRP verandert niet.
GxPyAbz
Gravidagravida: alle zwangerschappen (ongeacht aantal levende kinderen).
Pariteit : alle bevallingen na 16 weken amenorroe (ongeacht aantal levende kinderen).
Abortus : alle verloren zwangerschappen vóór 16 weken. Onderscheid spontaan van provocatus.
Amenorroeduur (AD) in weken plus aantal dagen. Bijv. 38+3 weken. Schatting m.b.v. fundushoogte:
symfyse = 12 weken AD;
halverwege navel = 16 weken AD;
navelhoogte = 24 weken AD;
xifoïd = 36 weken AD.
SEH-behandeling
De ABCDE-benadering blijft hetzelfde, aandachtspunten hierbij:
De conditie van de moeder gaat altijd vóór die van het kind: zonder een stabiele moeder geen levend kind. Bij reanimatie overweeg bij AD > 24 weken perimortem spoedsectio tijdens de reanimatie. Dit kan voor de moeder levensreddend zijn (en soms voor het kind).
Bij defibrillatie is er geen gevaar voor de foetus.
Plat liggende zwangere > 24 weken AD verplegen in ‘left lateral decubitus’ positie = iets naar links gekanteld door bij de re flank iets onder de rug te stoppen. Hierdoor kan uterus niet de vena cava inferior obstrueren.
Laat bij de ernstig zieke zwangere geen belangrijke X of CT achterwege. Foto’s van extremiteiten, thorax, hoofd en nek geven geen risico voor de foetus.
Insult bij zwangere: eclampsie?
De zwangerenkaart bevat veel informatie die bij beslissingen van belang kan zijn.
Cave
Trombo-embolische processen komen vaker voor tijdens en vlak na de zwangerschap.
Vruchtwaterembolie is een levensbedreigende aandoening. Presentatie: collaps, insult, hypotensie en DIS. Zeldzaam, hoge mortaliteit.
Check altijd of je bepaalde medicatie (pijnstilling, antibiotica etc.) mag geven in de zwangerschap.
